Eiser, een militair die tweemaal is uitgezonden naar voormalig Joegoslavië, stelde de Minister van Defensie aansprakelijk voor PTSS-klachten en tekortkomingen in de zorg en re-integratie na zijn uitzendingen. De Minister wees de aansprakelijkheid af, waarna eiser bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank overwoog dat de zorgplicht van de werkgever niet is geschonden. De operationele omstandigheden tijdens uitzendingen zijn niet aan de Minister toe te rekenen en verweerder was niet bekend met psychische klachten vóór 2006. Eiser had bovendien geen hulp gezocht bij verweerder voor die tijd. Het causale verband tussen de uitzendingen en de klachten was onvoldoende vastgesteld.
De rechtbank verwees naar jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, die stelt dat onder oorlogsomstandigheden geen toetsing aan de zorgplicht kan plaatsvinden. Ook werd het beroep op een eerdere uitspraak over Srebrenica verworpen vanwege de bijzondere omstandigheden van die zaak.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door mr. K. Schaffels, met mr. G.P. Kleijn en generaal-majoor b.d. B. Dedden als leden.