ECLI:NL:RBDHA:2013:19719
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag na intrekking verblijfsvergunning wegens valse documenten
Eiser, van Congolese nationaliteit, diende in 2012 een asielaanvraag in nadat zijn verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd in 2008 was ingetrokken wegens verblijf buiten Nederland. Eerder was hem in 1996 een verblijfsvergunning verleend na een eerdere afwijzing in 1993. De rechtbank beoordeelde of het bestreden besluit materieel vergelijkbaar was met het eerdere besluit en oordeelde dat de wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 geen nieuwe rechtsgrondslag vormde, waardoor toetsing aan het huidige recht mogelijk was.
Verweerder wees de aanvraag af op grond van onder meer het gebruik van vervalste documenten en het ontbreken van geldige bewijsstukken van identiteit en nationaliteit, waardoor het kader van positieve overtuigingskracht werd toegepast. Eiser voerde aan dat hij reeds eerder een geldig paspoort had overgelegd en dat het onredelijk was nu een verlopen paspoort te eisen. De rechtbank verwierp dit bezwaar omdat ook andere tegenwerpingen niet waren bestreden.
Eiser stelde voorts dat hij gegronde vrees had voor een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer naar de DRC, onder meer vanwege zijn familieachtergrond, politieke activiteiten en bedreigingen. De rechtbank achtte deze vrees niet aannemelijk omdat onvoldoende bewijs werd geleverd dat de autoriteiten bekend waren met zijn activiteiten of dat hij daadwerkelijk gevaar liep. Ook het lidmaatschap van een oppositiepartij bood geen voldoende grond voor bescherming.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde daarmee de afwijzing van de asielaanvraag. Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.