Uitspraak
de Minister van Veiligheid en Justitie, verweerder
Overwegingen
schriftelijketoestemming hadden en deze op een later moment konden overleggen, staat hier los van.
Rechtbank Den Haag
Verzoeker, een senior beleidsmedewerker bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, werd op 21 mei 2013 onvoorwaardelijk ontslagen wegens ernstig plichtsverzuim. Dit volgde op een incident waarbij verzoeker samen met een collega probeerde een printer mee naar huis te nemen zonder toestemming van een leidinggevende. Verzoeker zou bovendien gelogen hebben tegen de beveiligingsbeambte over die toestemming en heeft het voorval niet gemeld bij zijn leidinggevende.
Verzoeker maakte bezwaar tegen het ontslag en stelde dat het besluit was gebaseerd op onjuiste feiten en aannames, dat hij geen kwade bedoelingen had en dat de straf onevenredig was. Hij wees ook op eerdere lichtere straffen voor vergelijkbare feiten bij andere medewerkers en zijn lange staat van dienst.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het plichtsverzuim voldoende vaststond op basis van het onderzoeksrapport en verklaringen, waaronder die van de beveiligingsbeambte. Het ontbreken van schriftelijke toestemming en het niet melden van het incident vormden ernstige tekortkomingen. De rechtbank vond dat verzoeker beter had moeten weten gezien zijn ervaring en functie binnen de integriteitsdirectie.
De straf van onvoorwaardelijk ontslag werd als proportioneel beoordeeld, mede omdat verzoeker al pensioengerechtigd was en de straf zijn pensioenuitkering niet aantastte. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het onvoorwaardelijk ontslag wordt afgewezen.