ECLI:NL:CRVB:2000:AA8137
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.A.A.G. Vermeulen
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Vernietiging ontslagbesluit militair wegens onvoldoende vaststelling wangedrag
Appellant, een militair bij de Koninklijke Marine, werd ontslagen op grond van wangedrag in de dienst. Hij stelde dat het ontslag gebaseerd was op onvoldoende concrete en vage verwijten en dat de samenstelling van de meervoudige kamer in eerste aanleg niet voldeed aan de eisen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid volgens artikel 6 EVRM Pro.
De Raad liet in het midden of artikel 6 EVRM Pro van toepassing is op militairen in deze context, maar oordeelde dat zelfs als dat zo zou zijn, geen schending van het artikel had plaatsgevonden omdat de gehele procedure in aanmerking moest worden genomen en de Raad zelf aan de vereisten voldeed.
Inhoudelijk stelde de Raad vast dat het bestuursorgaan onvoldoende deugdelijk bewijs had geleverd dat appellant zich schuldig had gemaakt aan het verweten wangedrag. Het aanvullend onderzoek en de verklaringen boden geen concrete onderbouwing. Ook was de opgelegde boete van f 500,- voor een vechtpartij onvoldoende zwaar om een oneervol ontslag te rechtvaardigen.
De Raad vernietigde het ontslagbesluit en bepaalde dat de Staatssecretaris van Defensie een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van de overwegingen. Tevens werd de Staat veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het ontslagbesluit van appellant wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van wangedrag en de Staatssecretaris wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.