Uitspraak
Rechtbank Den Haag
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2013 in de zaak tussen
[referente],
Rechtbank Den Haag
Eiser, een in Nederland geboren minderjarige met Marokkaanse moeder, verzocht om een verblijfsvergunning voor gezinshereniging. Verweerder wees dit af vanwege het ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding, waarop bezwaar en beroep volgden.
De rechtbank onderzocht uitvoerig de pogingen van eiser en zijn moeder om registratie bij de Marokkaanse autoriteiten te verkrijgen. Ondanks herhaalde inspanningen en toezeggingen weigerden de Marokkaanse consulaten medewerking zonder toestemming van de vader, die niet meewerkt. Dit leidde ertoe dat eiser feitelijk staatloos is en geen geldig reisdocument kan verkrijgen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder niet in redelijkheid kon besluiten dat eiser het paspoortvereiste niet kon aantonen, mede gelet op het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind. De belangen van het kind wegen zwaar, en verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met deze belangen. Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze overwegingen.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder dient een nieuw besluit te nemen waarbij rekening wordt gehouden met de belangen van eiser.