ECLI:NL:RVS:2012:BV3716
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Beoordeling belangen van kind bij afwijzing verblijfsvergunning asiel in hoger beroep
De vreemdeling heeft bij besluit van 10 februari 2011 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen gekregen door de minister. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de toepassing van artikel 24 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat gebaseerd is op artikel 3 van Pro het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). De vreemdeling stelde dat de belangen van het kind onvoldoende waren meegewogen door de minister.
De Raad van State overwoog dat artikel 24 Handvest Pro en artikel 3 IVRK Pro een beoordelingsruimte aan nationale instanties toekennen en dat de rechter slechts kan toetsen of deze beoordelingsruimte is overschreden. Gelet op het besluit van de minister bleek dat de belangen van het kind voldoende in acht waren genomen. De klacht van de vreemdeling werd daarom verworpen.
De Raad van State bevestigde de uitspraak van de voorzieningenrechter en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning en oordeelt dat de belangen van het kind voldoende zijn meegewogen.