Uitspraak
het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer, verweerder, waarbij aan verzoeker met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van ontslag is opgelegd.
Rechtbank Den Haag
Verzoeker was rayonmanager bij een afvaldepot en kreeg op 12 april 2013 disciplinaire strafontslag opgelegd wegens ernstig plichtsverzuim. Uit onderzoek, waaronder heimelijk geplaatste camera’s, bleek dat medewerkers op grote schaal goederen zonder toestemming meenamen en dat verzoeker hier niet adequaat tegen optrad. Verzoeker erkende zijn handelen maar stelde dat er sprake was van een gedoogcultuur en dat hij niet op de hoogte was van de omvang van het probleem.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het onderzoek en de gebruikte middelen aanvaardbaar waren en dat verzoeker als leidinggevende een voorbeeldfunctie had en verantwoordelijk was voor het naleven van integriteitsregels. Ondanks de gedoogcultuur was verzoekers opstelling mede oorzaak van het plichtsverzuim. Ook zijn eigen ongeoorloofd meenemen van goederen woog zwaar mee.
De opgelegde straf van ontslag werd niet als disproportioneel beschouwd. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat verzoeker een andere positie had dan collega’s en leidinggevenden die wel handhaafden. Persoonlijke omstandigheden werden meegewogen maar konden het besluit niet wijzigen. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen en er kon geen hoger beroep worden ingesteld.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het disciplinaire strafontslag van de leidinggevende wordt afgewezen.