ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ2623

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
AWB 12/9030
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:80a AwbArt. 8:88 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit bijzondere bijstand wegens strijd met motiveringsvereiste en bestuurlijke lus

De zaak betreft een beroep tegen een besluit van het College van burgemeester en wethouders van Den Haag over bijzondere bijstand voor kosten van rechtshulp in een vreemdelingenprocedure. De rechtbank verwijst naar een eerdere tussenuitspraak waarin werd geoordeeld dat het besluit een onjuiste wettelijke grondslag had, namelijk artikel 15 Wwb Pro, en dat sprake was van een bestuurlijke lus.

Verweerder heeft in een brief betwist dat het besluit een gebrek bevat, maar erkent dat het beleid niet op artikel 15 Wwb Pro kan steunen. De rechtbank oordeelt dat het besluit een motiveringsgebrek bevat omdat de motivering niet is aangepast en dat het beroep gegrond is. Verweerder heeft vervolgens de bijzondere bijstand toegekend, maar met een beleidsmatige korting, wat volgens de rechtbank binnen de beoordelingsruimte van verweerder valt.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 Awb Pro, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand op grond van artikel 8:72 Awb Pro. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten aan eiser. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het besluit over bijzondere bijstand wordt vernietigd wegens strijd met het motiveringsvereiste, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 12/9030
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2013 in de zaak tussen
[eiser], te [plaats],
(gemachtigde: mr. M.L.M. Klinkhamer),
en
Het College van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Mos).
Procesverloop
1.1. De rechtbank verwijst naar de tussenuitspraak van 21 december 2012.
1.2. Verweerder heeft bij brief van 2 januari 2013 gereageerd.
1.3. Eiser heeft bij brief van 26 januari 2013 een zienswijze ingediend.
1.4. Daarna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
2.1. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek ter zitting niet meer noodzakelijk is.
2.2.1. Verweerder heeft in de brief van 2 januari 2013 bestreden dat het bestreden besluit een gebrek zou bevatten, omdat in het bestreden besluit geen verbinding zou worden gelegd met artikel 15 Wwb Pro.
2.2.2 Gelet op artikel 8:80a, derde lid, Awb, in samenhang met artikel 8:88 Awb Pro, kan hierin, wat er inhoudelijk ook van zij, geen grond zijn gelegen over te gaan tot herziening van de tussenuitspraak.
2.2.3. Evenmin ziet de rechtbank anderszins aanleiding terug te komen op haar tussenuitspraak. In het bestreden besluit wordt onder de kop “wettelijk kader” expliciet ook artikel 15 Wwb Pro vermeld. Herhaald wordt dat aan het primaire besluit (mede) artikel 15 Wwb Pro ten grondslag ligt. Verweerder heeft dit besluit gehandhaafd zonder in de motivering hierop terug te komen. De motivering van het bestreden besluit moet dus worden geacht nog steeds mede op deze bepaling te berusten. Nu het beleid, naar verweerder blijkens zijn brief van 2 januari 2013 erkent, niet mede op deze bepaling kan steunen, bevat het besluit een motiveringsgebrek.
2.2.4. De rechtbank ziet ook geen reden terug te komen op het oordeel in de tussenuitspraak om het beroep daarom gegrond te verklaren, nu eiser juist in beroep is gekomen om het hanteren van artikel 15 Wwb Pro als grondslag voor het bestreden besluit te bestrijden.
2.2.5. De rechtbank persisteert dus bij de tussenuitspraak.
2.3.1. Verweerder heeft in zijn brief van 2 januari 2013 gesteld dat de overwegingen in het bestreden besluit moeten worden beschouwd als overwegingen in het kader van de toetsing van het beleid op grond van artikel 35, eerste en tweede lid, Wwb.
2.3.2. Eiser heeft in zijn zienswijze aangevoerd dat verweerder in het bestreden besluit op onjuiste wijze aan artikel 35 Wwb Pro heeft getoetst.
2.3.3. De rechtbank kan het standpunt van eiser niet volgen. Verweerder heeft immers bij het bestreden besluit alsnog de gevraagde bijzondere bijstand toegekend, waarmee verweerder heeft vastgesteld dat de kosten zich hebben voorgedaan, noodzakelijk waren en uit bijzondere individuele omstandigheden voortvloeiden. Wel heeft verweerder de hoogte van de bijzondere bijstand op beleidsmatige gronden verlaagd. Deze invulling van in artikel 35 Wwb Pro aan verweerder toegekende beoordelingsruimte is in overeenstemming met de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep en deze rechtbank, zoals reeds overwogen in de tussenuitspraak.
2.4. Gelet hierop kan het bestreden besluit met de verbeterde motivering standhouden en kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand worden gelaten op grond van artikel 8:72, derde lid, Awb, zoals deze luidde voor 1 januari 2013.
3.1. Het beroep is gegrond, het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, Awb en de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden in stand gelaten.
3.2. Verweerder wordt met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb veroordeeld in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskostenbestuursrecht, zoals dat luidt per 1 januari 2013, vastgesteld op
€ 1.180,-- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een zienswijze in het kader van de bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 472 en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 42,-- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.180,-- te betalen aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, rechter, in aanwezigheid van E.M. Chahid, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2013.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.