ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ4323
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering en risico op schending EVRM
Eiser, een Turkse nationaliteit, diende een asielaanvraag in die door verweerder werd afgewezen op grond van artikel 31, lid 1 van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder vond het asielrelaas deels geloofwaardig, maar betwijfelde de onschuld van eiser en diens banden met Hezbollah. De rechtbank oordeelde dat deze motivering onvoldoende was en dat het beroep gegrond was.
Eiser stelde dat hij in Turkije onschuldig was veroordeeld op basis van verklaringen onder dwang en marteling, wat een oneerlijk proces opleverde in strijd met artikel 6 EVRM Pro. Daarnaast wees eiser op het risico van mishandeling en dodelijke bedreiging bij terugkeer, wat strijdig zou zijn met artikel 3 EVRM Pro. De rechtbank achtte de gevangenisstraf als een 'substantial period' en vond dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd dat het proces eerlijk was en dat uitzetting geen schending van artikel 5 EVRM Pro opleverde.
Verder werd het beroep gegrond verklaard omdat verweerder ten onrechte had aangenomen dat Maleisië als land van eerder verblijf duurzame bescherming bood. De rechtbank vernietigde het besluit en beval een nieuw besluit binnen zes weken, waarbij verweerder de geloofwaardigheid van het asielrelaas en de EVRM-bescherming opnieuw moet beoordelen. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de asielaanvraag en beveelt een nieuw besluit binnen zes weken.