ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ5799
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen overdracht aan Polen op grond van Dublinverordening wegens ontbreken schending EVRM artikel 3
Verzoekers hebben asielaanvragen ingediend in Nederland, maar deze werden afgewezen omdat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening (Vo 343/2003). Verzoekers maakten bezwaar tegen hun overdracht aan Polen, stellende dat de Poolse asielprocedure en detentieomstandigheden niet voldoen aan Europese normen en dat zij risico lopen op schending van artikel 3 EVRM Pro.
De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder zich op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag beroepen en dat verzoekers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat Polen zijn verplichtingen uit het Vluchtelingenverdrag en het EVRM niet zal nakomen. De persoonlijke ervaringen van verzoekers in Polen bieden geen concrete aanwijzingen voor een schending van artikel 3 EVRM Pro. Medische klachten van verzoekers zijn onvoldoende onderbouwd om overdracht te verhinderen.
Het beroep op de Opvangrichtlijn en Procedurerichtlijn faalt omdat deze aangelegenheden in Polen moeten worden ingebracht en beoordeeld. Ook het betoog dat Polen een minder gunstig uitzettingsbeleid voert en dat verzoekers mogelijk naar Syrië worden uitgezet, is niet concreet onderbouwd. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en verklaart het beroep ongegrond, waardoor overdracht aan Polen wordt bevestigd.