ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ5814

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
C/09/428510 JE RK 12-2782
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:261 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging uithuisplaatsing minderjarige sub 1 en toewijzing voor minderjarige sub 2

De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van Bureau Jeugdzorg tot machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen. Minderjarige sub 1 verblijft bij de moeder, terwijl minderjarige sub 2 in een behandelinstelling verblijft. De moeder en vader verzetten zich tegen het verzoek, waarbij de moeder haar zorgvaardigheden benadrukte en kritiek had op de gezinsvoogd. De vader uitte bezwaren tegen de plaatsing van sub 2, vooral vanwege het beperkte contact.

De rechtbank constateerde een zorgelijke situatie voor minderjarige sub 1, met gedragsproblemen en onvoldoende naleving van afspraken door de moeder. Echter, een uithuisplaatsing bij Jeugdformaat zonder behandeling bood onvoldoende perspectief op verbetering, waardoor het verzoek werd afgewezen. De rechtbank gaf de WSJ de opdracht alternatieven te onderzoeken, waaronder mogelijke zorg door de vader.

Voor minderjarige sub 2 was er sprake van blijvende gronden voor uithuisplaatsing conform artikel 1:261 BW Pro. De instelling Kentalis bood de nodige structuur en zorg die de ouders niet konden bieden. De rechtbank machtigde Bureau Jeugdzorg tot uithuisplaatsing van sub 2 voor de duur van de ondertoezichtstelling en gaf uitvoering bij voorraad.

De beslissing werd genomen na een zitting met betrokkenen en vertegenwoordigers van WSJ, waarbij ook de minderjarige sub 1 werd gehoord. De rechtbank benadrukte het belang van veiligheid, diagnostiek en behandeling voor sub 1 en stabiliteit en passende scholing voor sub 2.

Uitkomst: Verzoek tot uithuisplaatsing minderjarige sub 1 afgewezen, verzoek voor sub 2 toegewezen voor duur ondertoezichtstelling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Meervoudige Kamer
Rekestnummer: JE RK 12-2782
Zaaknummer: C/09/428510
Datum beschikking: 26 februari 2013
Beschikking op de op 3 oktober 2012 ingekomen verzoekschriften van:
de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden, vestiging Den Haag Zuid/Rijswijk
(verder: Bureau Jeugdzorg),
met betrekking tot de minderjarigen:
1. [minderjarige sub 1], geboren op [datum 1] 1998 te Voorburg;
2. [minderjarige sub 2], geboren op [datum 2] 2001 te ’s-Gravenhage,
kinderen van:
[belanghebbende 1],
de moeder,
wonende te [adres 1],
en
[belanghebbende 2],
de vader,
wonende te [adres 2],
die gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen.
De minderjarige sub 1 verblijft bij de moeder. De minderjarige sub 2 verblijft in behandelinstelling Kentalis.
Procedure
Bij beschikking d.d. 8 januari 2013 van de kinderrechter in deze rechtbank is Bureau Jeugdzorg gemachtigd de minderjarige sub 2 gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen van 8 januari 2013 tot 8 maart 2013 en zijn de verzoeken – strekkende tot machtiging beide minderjarigen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen tot 21 oktober 2013 (de duur van de ondertoezichtstelling) – voor het overige aangehouden en ter verdere behandeling verwezen naar de Meervoudige Kamer. De reden voor de aanhouding was onder meer gelegen in de omstandigheid dat de gezinsvoogd nog geen kennis had gemaakt met het gezin en in de gelegenheid is gesteld het gezin beter te leren kennen en zichzelf een oordeel te vormen van de aard van de problematiek en de mogelijkheden van de ouders. Ten aanzien van de minderjarige sub 2 kon worden bekeken of en zo ja onder welke omstandigheden zij terug naar huis zou kunnen.
Bureau Jeugdzorg heeft de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen gemandateerd aan de William Schrikker Jeugdbescherming (hierna: de WSJ).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder thans ook de brief d.d. 19 februari 2013, met bijlagen, van de zijde van de WSJ.
Op 26 februari 2013 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank opnieuw met gesloten deuren behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- Mevrouw S. van Poeteren en mevrouw N. Moqaddem namens de WSJ;
- de vader;
- de moeder met een tolk, de heer Alvares.
De minderjarige sub 1 is in raadkamer gehoord.
Beoordeling
De WSJ handhaaft de verzoeken namens Bureau Jeugdzorg en wenst aldus een machtiging tot uithuisplaatsing voor beide minderjarigen voor de duur van de ondertoezichtstelling. Sinds de laatste beschikking heeft de gezinsvoogd geprobeerd afspraken te maken met de ouders over de minderjarige sub 1 zoals het bieden van meer structuur, het stellen van grenzen en het voorzien in basale levensbehoeften voor de minderjarige. In weerwil van de gemaakte afspraken zijn de zorgen omtrent deze minderjarige volgens de WSJ echter niet afgenomen. Het lukt haar nog steeds niet om op tijd op school te komen, zij laat opstandig gedrag zien – ook op school – en het is voor de gezinsvoogd moeilijk gebleken om contact te blijven houden met de moeder en de minderjarige. De minderjarige sub 1 moet binnenkort voor de strafrechter verschijnen voor een feit gepleegd in september 2012. De WSJ acht het van belang dat duidelijk wordt waar de problemen van de minderjarige sub 1 precies vandaan komen en welke hulpverlening in haar belang ingezet dient te worden. Door middel van een uithuisplaatsing kan de veiligheid van de minderjarige gewaarborgd worden en kan er diagnostiek en behandeling worden ingezet om haar gedragsproblemen te verminderen. Als de machtiging wordt verleend dan is er voor de minderjarige op dit moment een plek beschikbaar op een leefgroep van de Stichting Jeugdformaat.
Ten aanzien van de minderjarige sub 2 is van de zijde van de WSJ aangevoerd dat gebleken is dat zij erg gebaat is bij de structuur, stabiliteit, duidelijkheid en overige mogelijkheden die haar in Kentalis geboden worden. In het verleden is reeds gebleken dat de ouders deze omgeving niet kunnen bieden en geen inzicht lijken te hebben in haar behoeften. Voor de minderjarige sub 2 kan gepaste scholing worden geboden zodra duidelijk is wat haar definitieve woonsituatie zal zijn.
De moeder voert verweer tegen het verzochte. Zij vindt dat zij een goede moeder is en dat de gezinsvoogd geen moeite doet om naar haar te luisteren. De beschuldigingen die worden geuit zijn volgens haar niet waar, zoals het te laat komen van de minderjarige sub 1 op school. Ten aanzien van de minderjarige sub 2 voert de moeder aan dat zij vindt dat haar dochter juist psychische schade oploopt in de instelling.
Ook de vader voert verweer tegen het verzochte. De moeder is volgens hem prima in staat om voor de minderjarige sub 1 te zorgen. De moeder en hij hebben zich tot nu toe altijd coöperatief opgesteld richting de hulpverlening, maar de samenwerking met de hulpverlenende instanties, in het bijzonder de gezinsvoogd gaat heel moeizaam. Volgens de vader verdraait de gezinsvoogd dingen die hij en de moeder tegen haar zeggen. De vader heeft ook bezwaren tegen bestendiging van de plaatsing van de minderjarige sub 2 in Kentalis, doch zijn bezwaren, zo vat de rechtbank op, zien met name op het beperkte contact dat hem en de moeder met de minderjarige sub 2 wordt toegestaan.
De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank is van oordeel dat er ten aanzien van de minderjarige sub 1 sprake is van een zorgelijke toestand op alle leefgebieden en dat de situatie bij de moeder thuis te wensen overlaat. Het is de moeder zelfs niet gelukt om in de korte periode die sinds de vorige beschikking is verstreken de gemaakte afspraken na te komen. Het is echter maar de vraag of plaatsing in een leefgroep van Jeugdformaat zonder behandeling de situatie van de minderjarige binnen afzienbare termijn zal verbeteren. Er bestaat een reële kans dat de minderjarige zich daar zal begeven onder leeftijdsgenoten met vergelijkbare problematiek, dat zij zonder de juiste behandeling waarschijnlijk niet uit deze impasse zal geraken en dat haar situatie mogelijk niet veel zal verbeteren en zelfs zou kunnen verergeren. De rechtbank ziet niet in dat een machtiging uithuisplaatsing in dat kader de minderjarige thans veel verder zal brengen en wijst gelet daarop het verzoek ten aanzien van de minderjarige sub 1 af. De rechtbank geeft de WSJ dringend in overweging om de komende periode te zoeken naar geschikte alternatieven voor de woonsituatie van de minderjarige sub 1, waarbij ook zou kunnen worden onderzocht of de vader kan worden belast met de zorg en opvoeding van de minderjarige sub 1.
Ten aanzien van de minderjarige sub 2 is de rechtbank van oordeel dat de in artikel 1:261 BW Pro eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige nog steeds aanwezig zijn. In het verleden is reeds gebleken dat de ouders niet in staat zijn haar de omgeving te kunnen bieden die zij behoeft, gelet ook op haar specifieke problematiek. Binnen Kentalis ontwikkelt de minderjarige zich goed. De door de vader geuite zorgen over het verblijf van de minderjarige in Kentalis lijken met name te zijn ingegeven door de omstandigheid dat hij vindt dat hem en de moeder te weinig contact met de minderjarige wordt toegestaan door de WSJ. De WSJ heeft ter terechtzitting toegezegd met de ouders te zullen bezien of, en zo ja hoe, de contacten kunnen worden uitgebreid. De rechtbank gaat ervan uit dat de WSJ deze toezegging gestand zal doen.
Derhalve zal als volgt worden beslist.
Beslissing
De kinderrechter:
machtigt de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden, de minderjarige sub 2 gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een AWBZ-instelling van 8 maart 2013 tot 21 oktober 2013, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling;
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing ten aanzien van de minderjarige sub 1.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H.M.D. de Jong (voorzitter), J.M. Ghrib en H.M. Boone, kinderrechters, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 februari 2013, in tegenwoordigheid van mr. B. Laterveer als griffier.
Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof te Den Haag.