ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ6773
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ontbreken nieuw feit en onvoldoende bewijs risico schending artikel 3 EVRM
Eiser, een Iraakse staatsburger, diende op 20 januari 2011 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvraag werd op 20 oktober 2011 afgewezen. Eiser stelde dat hij vanwege zijn werkzaamheden voor de algemene veiligheidsdienst van het voormalige regime in Irak gevaar loopt bij terugkeer. Hij voerde aan dat hij niet eerder bepaalde documenten had overgelegd uit angst dat deze aan de Iraakse autoriteiten zouden worden verstrekt.
De rechtbank oordeelde dat de overgelegde documenten en feiten niet als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden konden worden aangemerkt, omdat deze reeds voor de eerdere aanvraag bekend waren en eiser deze toen had kunnen inbrengen. Tevens werd geoordeeld dat de angst van eiser voor doorlevering van informatie aan Irak niet gegrond was, aangezien hem was verzekerd dat zijn verklaringen vertrouwelijk zouden worden behandeld.
Ten aanzien van het risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer, stelde de rechtbank vast dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij een reëel risico loopt. Ambtsberichten en het ontbreken van dodenlijsten ondersteunden zijn stellingen niet. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat geen bijzondere omstandigheden als bedoeld in het Bahaddar-arrest aanwezig zijn die een afwijking van de reguliere toetsing rechtvaardigen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van nieuw gebleken feiten en onvoldoende bewijs voor risico schending artikel 3 EVRM.