ECLI:NL:RVS:2008:BC7124
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Vaststelling materiële gelijkluidendheid bij weigering verblijfsvergunning asiel en toepassing ne bis in idem
De zaak betreft een vreemdeling die meerdere aanvragen heeft ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, waarvan de minister telkens de verlening heeft geweigerd op grond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Het eerdere besluit van 20 maart 2003 is in rechte onaantastbaar geworden. De vreemdeling diende een herhaalde aanvraag in die eveneens werd afgewezen op 23 juni 2006.
De rechtbank had het besluit van 23 juni 2006 vernietigd en de staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit te nemen, omdat zij van oordeel was dat het ne bis in idem-beginsel niet van toepassing was op de gewijzigde beoordeling ten aanzien van artikel 3 EVRM Pro. De Raad van State oordeelt echter dat beide besluiten materieel gelijkluidend zijn, aangezien zij hetzelfde rechtsgevolg hebben: de plicht voor de vreemdeling om Nederland te verlaten.
De Afdeling benadrukt dat nieuwe feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn ontstaan, of die niet eerder konden worden aangevoerd, een hernieuwde toetsing kunnen rechtvaardigen. In dit geval zijn dergelijke nieuwe feiten niet aannemelijk gemaakt. Daarnaast staat het rechtsgevolg van het eerdere besluit niet in de weg aan het maken van bezwaar tegen feitelijke uitzetting op grond van nieuwe relevante feiten.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van de verblijfsvergunning blijft in stand.