ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ6992
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Matiging heffingsrente wegens onzorgvuldige vertraging bij navorderingsaanslag vennootschapsbelasting
In deze zaak staat centraal of de heffingsrente bij een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting over 2003 gematigd moet worden vanwege onzorgvuldig handelen van de Belastingdienst. Nadat het verlies over 2004 was vastgesteld, werd de navorderingsaanslag pas in november 2008 opgelegd, terwijl de Belastingdienst al in juni 2006 op de hoogte was van het verlies en de noodzaak tot snelle afhandeling.
De rechtbank stelt vast dat de Belastingdienst vanaf juni 2006 had moeten beseffen dat een vertraging in het opleggen van de navorderingsaanslag een rentenadeel voor eiseres zou opleveren. De behandeling van het bezwaar tegen de aanslag 2003 had uiterlijk begin juli 2006 moeten aanvangen, maar dit gebeurde pas op 5 september 2007, wat onzorgvuldig is.
De rechtbank concludeert dat de heffingsrente dienovereenkomstig moet worden gematigd met het bedrag dat over de periode van 1 juli 2006 tot 5 september 2007 is berekend. Verder is vastgesteld dat de vertraging na 5 september 2007 mede aan eiseres te wijten is, zodat geen verdere matiging nodig is. De uitspraak op bezwaar wordt vernietigd voor zover deze de heffingsrente betreft en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank matigt de heffingsrente wegens onzorgvuldig handelen van de Belastingdienst en veroordeelt verweerder in de proceskosten.