ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ9313
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling
De vreemdeling, met de Hongaarse nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 22 maart 2013 waarbij hem een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd. Hij betoogde dat het ontbreken van een vertrektermijn in strijd is met artikel 8.24 van het Vreemdelingenbesluit en dat hij de gelegenheid had moeten krijgen Nederland zelfstandig te verlaten. Ook stelde hij dat de maatregel onrechtmatig is omdat verweerder onvoldoende inspanningen heeft verricht om vreemdelingenbewaring na strafrechtelijke detentie te voorkomen.
De rechtbank oordeelt dat de vertrektermijn van nul dagen voortvloeit uit de ongewenstverklaring van 14 maart 2013, die niet ter toetsing ligt. Er is geen onttrekkingsgevaar gedestilleerd uit de strafrechtelijke veroordeling of ongewenstverklaring, maar de vreemdeling heeft zich niet gemeld en zich daarmee onttrokken aan toezicht. Hij verbleef al vier jaar in Nederland zonder vaste woon- of verblijfplaats en heeft nagelaten zich te melden bij langere verblijven.
Verweerder heeft terecht de vreemdeling in bewaring gesteld op grond van het risico op onttrekking aan toezicht, het ontbreken van een vaste verblijfplaats en de ongewenstverklaring. De rechtbank acht de maatregel niet onrechtmatig en de belangenafweging rechtvaardigt de bewaring. Verweerder heeft bovendien voortvarend gehandeld na aanvang van de bewaring, met regievoering en vertrekgesprek, waarna uitzetting gepland is op 3 april 2013.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.