ECLI:NL:RVS:2002:AE2317
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- B. van Wagtendonk
- J.E.M. Polak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van vreemdelingenbewaring na strafrechtelijke detentie ondanks gebrek aan uitzettingshandelingen
Appellant is na een strafrechtelijke detentie van acht weken op 5 december 2001 in vreemdelingenbewaring gesteld. Hij voerde aan dat de staatssecretaris ten onrechte geen uitzettingshandelingen had verricht tijdens zijn detentie en dat er geen reëel perspectief op uitzetting bestond.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Raad van State bevestigt deze uitspraak. De Raad overweegt dat de staatssecretaris een inspanningsverplichting heeft om uitzettingshandelingen te verrichten, maar geen garantie dat vreemdelingen na strafrechtelijke detentie niet in vreemdelingenbewaring worden gesteld.
Verder is vastgesteld dat er gronden voor inbewaringstelling aanwezig waren, mede doordat appellant zich van aliassen bediende en ongewenst verklaard was. De grief van appellant faalt omdat de belangenverhouding niet onevenwichtig is en de grieven niet voldoen aan de wettelijke eisen.
De Raad van State ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en bevestigt het bestreden besluit met verbeterde motivering.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de vreemdelingenbewaring na strafrechtelijke detentie ondanks het ontbreken van uitzettingshandelingen.