ECLI:NL:RBDHA:2013:CA3170
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot vaststelling Nederlanderschap kinderen uit polygaam huwelijk
De zaak betreft een verzoek van [A], als wettelijk vertegenwoordiger van minderjarige [B], en [C] om vast te stellen dat zij sinds hun geboorte of daarna het Nederlanderschap van rechtswege hebben verkregen. [A] was getrouwd met [X], met wie hij in 1993 door verstoting uit elkaar ging, en vervolgens met [Y] in 1994. Het tweede huwelijk werd aanvankelijk niet erkend in Nederland vanwege strijd met de openbare orde, aangezien het eerste huwelijk niet rechtsgeldig was ontbonden volgens Nederlands recht.
De kinderen [C] en [B] zijn geboren uit het tweede huwelijk, dat pas in 1997 rechtsgeldig werd ontbonden en erkend. De IND en officier van justitie stelden dat de kinderen niet de Nederlandse nationaliteit bezitten omdat het huwelijk bij hun geboorte niet rechtsgeldig was. De rechtbank bevestigde dit standpunt en oordeelde dat het polygaam huwelijk de fundamentele Nederlandse rechtsbeginselen schaadt.
De rechtbank concludeerde dat [A] niet als juridische vader kon worden beschouwd ten tijde van de geboorte van [C] en [B], waardoor zij niet automatisch Nederlander zijn geworden op grond van artikel 3 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap. De registratie van het huwelijk met terugwerkende kracht verandert hier niets aan. Daarom werd het verzoek afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap van de kinderen uit het polygaam huwelijk wordt afgewezen omdat het huwelijk niet rechtsgeldig was bij hun geboorte.