Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van de prejudiciële vragen
in elk gevalvoor indien (a) de erkenning is verricht door een Nederlander die naar Nederlands recht niet bevoegd zou zijn het kind te erkennen, (b) indien, wat de toestemming van de moeder of het kind betreft, niet voldaan is aan de vereisten van het recht dat ingevolge art. 10:95 lid 3 BW Pro toepasselijk is, of (c) indien de akte kennelijk op een schijnhandeling betrekking heeft. De wetgever heeft niet uitgesloten dat andere gevallen denkbaar zijn waarin de erkenning van de buitenlandse akte waarin de afstammingsbetrekking is neergelegd, afstuit op strijd met de openbare orde. [10]
ultimum remedium, waarvan een spaarzaam gebruik dient te worden gemaakt. Uitsluitend in die gevallen waarin de erkenning van de afstammingsbetrekking in strijd komt met fundamentele normen en waarden van de Nederlandse rechtsorde, dient het afweermiddel van de openbare orde te worden gehanteerd. Is ten tijde van de totstandkoming van de te erkennen rechtsverhouding de Nederlandse rechtsorde daarbij niet of in onvoldoende mate betrokken, dan past het niet om in Nederland de erkenning te weigeren van de rechtsgeldig in het buitenland tot stand gekomen rechtsverhouding. Hier speelt de relativiteit van de openbare orde een rol. [11]