ECLI:NL:RBDHA:2013:CA3177
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.E. Groeneveld-Stubbe
- D.H. von Maltzahn
- J.M.C. Louwinger-Rijk
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot vaststelling Nederlandse nationaliteit wegens onduidelijkheid erkenning en vaderschap
De zaak betreft een verzoek van [A], als wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige dochter [B], om vast te stellen dat [B] de Nederlandse nationaliteit bezit. [B] is geboren in Denemarken in 2001 en staatloos. De vader, geregistreerd onder twee verschillende namen, verkreeg in 2001 de Nederlandse nationaliteit.
De rechtbank onderzocht of [B] door erkenning door de biologische vader vóór of na haar geboorte de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Er was geen akte van erkenning overgelegd en het was onduidelijk of en wanneer erkenning had plaatsgevonden. Daarnaast bestond twijfel over de identiteit van de vader, mede doordat [B] een andere achternaam draagt dan de vader en er mogelijk al een andere juridische vader was vastgesteld.
De IND stelde zich primair op het standpunt van niet-ontvankelijkheid en subsidiair dat de Nederlandse nationaliteit niet was verkregen. De rechtbank volgde dit standpunt en overwoog dat de enkele vaststelling van biologisch vaderschap niet leidt tot nationaliteitsverkrijging. Ook de door de IND geuite twijfel over de identiteit van [B] kon niet worden weggenomen. Het verzoek werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van de Nederlandse nationaliteit van [B] wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van erkenning en twijfel over het juridische vaderschap.