ECLI:NL:RBDHA:2014:10327
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduring vrijheidsontnemende maatregel bij asielprocedure en laissez-passer aanvraag
Eiser is op 11 april 2014 in bewaring gesteld en heeft op dezelfde dag een asielwens geuit. Zijn asielaanvraag is op 1 mei 2014 afgewezen. De staatssecretaris stuurde de aanvraag voor een laissez-passer pas 21 dagen na de afwijzing aan de Chinese autoriteiten, wat eiser te lang vond. Ook het vertrekgesprek vond volgens eiser te laat plaats.
De rechtbank stelde vast dat de aanvraag in het Chinees moest worden vertaald voordat deze kon worden doorgestuurd, wat vertraging veroorzaakte. De aanvraag werd op 21 mei 2014 aan de Chinese autoriteiten gezonden. De rechtbank oordeelde dat deze vertraging geen onrechtmatige voortvarendheidsschending oplevert, mede gelet op eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak.
Eiser voerde verder aan dat zicht op uitzetting ontbreekt omdat hij geen documenten bezit en de Chinese autoriteiten zelden laissez passers afgeven. De rechtbank volgde dit niet en verwees naar eerdere uitspraken waarin werd geoordeeld dat zicht op uitzetting niet ontbreekt zolang er recent laissez passers zijn afgegeven.
De rechtbank concludeerde dat de voortduring van de bewaring gerechtvaardigd is en niet in strijd met de wet, en wees het beroep ongegrond. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen voortduring van de bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.