Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2004,
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2009,
[naam],geboren op [geboortedatum 3] 1970, eiseres en verzoekster (hierna: de moeder)
Rechtbank Den Haag
Eisers, minderjarige kinderen van Ghanese nationaliteit, vroegen een verblijfsvergunning op grond van de Overgangsregeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen (Kinderpardonregeling). Deze aanvraag werd afgewezen omdat zij niet aan de voorwaarden voldeden. Daarnaast voerden eisers een beroep in op artikel 8 EVRM Pro, het recht op gezinsleven.
De rechtbank stelde vast dat de kinderen sinds december 2012 op verzoek van Bureau Jeugdzorg bij hun vader verblijven, terwijl de moeder het formele gezag heeft. De relatie tussen de ouders is gebrouilleerd, en gedwongen terugkeer naar Ghana zou leiden tot scheiding van de kinderen van hun vader. De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende oog had gehad voor deze omstandigheden en onvoldoende had gemotiveerd dat de verblijfsweigering niet zou leiden tot een schending van het gezinsleven.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op een nieuwe belangenafweging te maken binnen zes weken, waarbij het gezinsleven van de kinderen volgens artikel 8 EVRM Pro in acht moet worden genomen. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat het beroep reeds was beslist. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot verblijfsweigering wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van het recht op gezinsleven.