Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiseres 1],
Procesverloop
Overwegingen
kinderen, en specifiek voor kinderen die tenminste vijf jaar voor hun achttiende een asielaanvraag hebben ingediend en die vijf jaar tijdens hun minderjarigheid onafgebroken hier hebben verbleven. Dat eiseressen wel lang als kind in Nederland hebben verbleven en ook hebben geleden, maakt niet dat zij nu, inmiddels ruimschoots meerderjarig, onder de Kinderpardonregeling zouden moeten vallen.
kinderenen kunnen wijzen op het verschil in verantwoordelijkheid die de overheid draagt voor minderjarigen en meerderjarigen. Verweerder heeft er daarbij terecht op gewezen dat dit verschil ook tot uitdrukking komt in de wetgeving op het vlak van het burgerlijk recht en dat meerderjarigen handelingsbekwaam worden geacht. Dat de overgangsregeling niet alleen ziet op kinderen, maar ook op jongvolwassenen tot 21 jaar, doet daar niet aan af. De reden voor het treffen van deze overgangsregeling is blijkens de parlementaire geschiedenis immers dat tegemoet wordt gekomen aan de kinderen die meerderjarig zijn geworden in de periode voorafgaand aan de totstandkoming van de Kinderpardonregeling, zonder dat zij daarop op dat moment reeds een beroep konden doen. De rechtbank is daarom van oordeel dat deze uitbreiding naar een leeftijdsgrens van maximaal 21 jaar op de peildatum niet afdoet aan de rechtvaardiging van het onderscheid op basis van meerderjarigheid en minderjarigheid. De beroepsgrond dat op dit onderdeel sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid, slaagt daarom niet. Evenmin kan het stellen van leeftijdsgrenzen in het algemeen, gelet op het voorgaande, als willekeurig of kennelijk onredelijk worden aangemerkt.
kinderenen om aan die verblijfsduur de eis te stellen van minstens vijf jaar tussen de asielaanvraag en de meerderjarigheid. Daarbij is onder ogen gezien dat daar vreemdelingen buiten zullen vallen. Deze omstandigheden zijn daarom niet als bijzonder in de zin van artikel 4:84 van Pro de Awb aan te merken.