ECLI:NL:RBDHA:2014:11553
Rechtbank Den Haag
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Waardering stamrechtverplichting met minimaal 4% rekenrente bevestigd
Eiseres, een vennootschap opgericht in 1976, had in 2009 een stamrechtovereenkomst gesloten met haar dga waarbij het stamrechtkapitaal werd ondergebracht met gebruikmaking van de stamrechtvrijstelling. De waardering van de stamrechtverplichting ultimo 2009 was door eiseres berekend met een rekenrente van 3%, terwijl verweerder deze waardeerde met een rekenrente van 4%, wat leidde tot een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting.
Het geschil betrof de vraag of de door verweerder gehanteerde rekenrente van minimaal 4% conform artikel 3.29 van de Wet inkomstenbelasting 2001 terecht was toegepast. Eiseres stelde dat dit artikel niet van toepassing was op de stamrechtverplichting.
De rechtbank oordeelde dat de stamrechtverplichting een recht op periodieke uitkeringen betreft en daarmee een 'soortgelijke verplichting' is in de zin van artikel 3.29 Wet IB 2001. De rechtbank verwierp het standpunt van eiseres dat rekening gehouden moest worden met mogelijke toekomstige wijzigingen van de stamrechtovereenkomst, omdat de waardering moet plaatsvinden op basis van de op dat moment bestaande rechtsverhouding.
Daarmee werd het beroep ongegrond verklaard en werd de waardering met een rekenrente van minimaal 4% bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en de waardering van de stamrechtverplichting met een rekenrente van minimaal 4% bevestigd.