ECLI:NL:HR:2010:BJ5176
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- J.A.C.A. Overgaauw
- P.M.F. van Loon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging waardering gerichte lijfrenteverplichting in vennootschapsbelasting
Aan belanghebbende is voor het jaar 2003 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd die na bezwaar en beroep door rechtbank en hof is gehandhaafd. De kern van het geschil betrof de waardering van een gerichte lijfrenteverplichting die was overeengekomen tegen een rentepercentage van 8 procent. Belanghebbende had de verplichting gewaardeerd door het toekomstige doelvermogen contant te maken tegen een marktrente van 3,3 procent, terwijl de inspecteur een rekenrente van 4 procent hanteerde.
De Hoge Raad overweegt dat indien een rentepercentage slechts een rekengrootheid is voor de omvang van een lijfrenteverplichting, de waardering moet plaatsvinden tegen de marktrente bij het aangaan van de verplichting. Bij een daling van de rentestand mag de verplichting hoger worden gewaardeerd, maar niet lager dan de oorspronkelijk gehanteerde rekenrente. Dit volgt uit eerdere jurisprudentie en wordt bevestigd in dit arrest.
Het hof had geoordeeld dat de marktrente geen rol speelt bij waardering van de verplichting, maar de Hoge Raad stelt dat artikel 3.29 Wet IB 2001 vereist dat pensioen- en soortgelijke verplichtingen worden gewaardeerd met inachtneming van actuariële grondslagen en een rekenrente van minimaal 4 procent. De aanslag is daardoor niet te hoog vastgesteld.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt de uitspraak van het hof. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de waardering van de lijfrenteverplichting tegen minimaal 4 procent rekenrente bevestigd.