ECLI:NL:RBDHA:2014:12008
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Executiegeschil over voorwaardelijke ontbindingsvergoeding na ontslag op staande voet
HMS heeft een werknemer op staande voet ontslagen wegens betrokkenheid bij een illegale afvalroute. De kantonrechter heeft bij beschikking van 4 juni 2014 de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk ontbonden en een bruto vergoeding van € 82.150 toegekend aan de werknemer, onder de voorwaarde dat het ontslag onterecht zou blijken.
De werknemer vorderde betaling en legde beslag, maar HMS stelde dat de vergoeding pas opeisbaar is na een onherroepelijke uitspraak in een bodemprocedure waarin de rechtsgeldigheid van het ontslag wordt beoordeeld. De voorzieningenrechter bevestigde dat de vergoeding een voorwaardelijk karakter heeft en dat executie pas mogelijk is nadat de voorwaarde is vervuld.
De rechtbank wees het verzoek van HMS toe om de executie te staken totdat een definitieve uitspraak is gedaan of HMS de nietigheid van het ontslag erkent. Tevens werd een dwangsom opgelegd voor het geval van niet-naleving. De proceskosten werden aan de werknemer opgelegd.
Deze uitspraak verduidelijkt dat een voorwaardelijk toegekende ontbindingsvergoeding niet onmiddellijk kan worden geëxecuteerd bij betwisting van het ontslag op staande voet, maar pas na een definitieve rechterlijke beslissing.
Uitkomst: De werknemer mag de voorwaardelijke ontbindingsvergoeding pas executeren na een onherroepelijke uitspraak over het ontslag; executie wordt voorlopig verboden met een dwangsom.