ECLI:NL:RBDHA:2014:12582

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 september 2014
Publicatiedatum
15 oktober 2014
Zaaknummer
AWB - 13 _ 7384
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 AwrArt. 52a Awr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling informatiebeschikkingen inzake buitenlandse bankrekening en vermogensbestanddelen

Verweerder heeft informatiebeschikkingen gegeven aan eiser over een buitenlandse bankrekening bij een Zwitserse bank, waarvan eiser en zijn echtgenote als rekeninghouders zijn geïdentificeerd. Eiser had in zijn belastingaangiften over 2008-2010 geen vermogensbestanddelen van deze rekening opgenomen en ontkende het bezit van een buitenlandse rekening.

De rechtbank oordeelt dat verweerder zich op een redelijk vermoeden kon baseren dat eiser over niet aangegeven vermogen beschikte, mede gelet op renseignementen uit 1996 en de unieke naamcombinatie in het BVR-systeem. Het enkele feit dat de renseignementen van 1996 dateren, doet hieraan niet af, omdat een redelijk vermoeden voldoende is voor het stellen van vragen op grond van de Awr.

Eiser heeft zijn informatieverplichting niet nagekomen door slechts te ontkennen dat hij een buitenlandse rekening had. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en stelt eiser een termijn van zes weken om alsnog de gevraagde informatie te verstrekken. Er worden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: De beroepen tegen de informatiebeschikkingen worden ongegrond verklaard en eiser krijgt zes weken om alsnog informatie te verstrekken.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht
zaaknummers: SGR 13/7384 t/m SGR 13/7386

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 september 2014 in de zaken tussen

[eiser], wonende te[A], eiser

[C],
en
[P], kantoor [Z], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft met dagtekening 18 juni 2013 ten aanzien van eiser met betrekking tot de jaren 2008 tot en met 2010 drie informatiebeschikkingen als bedoeld in artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) gegeven.
Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 22 augustus 2013 de informatiebeschikkingen gehandhaafd.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2014. De gemachtigde van eiser is daar, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Namens verweerder zijn verschenen [B] en [D].
Ter zitting zijn tevens behandeld de beroepen van eisers echtgenote,[X], inzake de aan haar met betrekking tot de jaren 2008 tot en met 2010 gegeven informatiebeschikkingen, zaaknummers SGR 13/7387 t/m SGR 13/7389.

Overwegingen

Feiten
1.
Verweerder heeft renseignementen ontvangen betreffende Nederlandse rekeninghouders bij [L] [M]. De renseignementen vermelden onder meer een rekening met nummer [Y] met een saldo op
5 september 1996 van ƒ 530.279,07 (ƒ 377,42 lopende rekening, ƒ 338.960,00 obligaties,
ƒ 125.520,50 effecten en ƒ 65.421,15 beleggingsfondsen) en op 28 november 1996 van
ƒ 556.633,04 (ƒ 517,42 lopende rekening, ƒ 345.120,00 obligaties, ƒ 141.246,20 effecten en
ƒ 69.749,42 beleggingsfondsen) ten name [E]. Verweerder heeft eiser (en zijn echtgenote) als houder van die rekening geïdentificeerd.
2.
Eiser en zijn echtgenote hebben in hun aangiften inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 2008 tot en met 2010 geen vermogensbestanddelen opgenomen die betrekking hebben op een [M] rekening.
3.
Bij brief van 29 mei 2013 heeft verweerder eiser verzocht om nadere gegevens over de onder 1 genoemde [M] rekening te verstrekken, waaronder de saldigegevens op
1 januari en 31 december van de jaren 2008 tot en met 2010 dan wel de gegevens waar het eerder op de [M] rekening gestalde vermogen in de jaren 2008 tot en met 2010 is aangehouden en de gegevens over de besteding van dat vermogen.
4.
Bij brief van 4 juni 2013 heeft eiser aangegeven dat hij en zijn echtgenote in de door verweerder genoemde jaren geen buitenlandse bankrekening hebben aangehouden. Vervolgens heeft verweerder de onderhavige informatiebeschikkingen gegeven.
Geschil5. In geschil is of verweerder de informatiebeschikkingen terecht heeft gegeven.
6.
Eiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen en vernietiging van de informatiebeschikkingen. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.
Beoordeling van het geschil
7.
Naar het oordeel van de rechtbank kon verweerder zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de door hem gevraagde informatie voor de belastingheffing van eiser voor de jaren 2008 tot en met 2010 van belang kon zijn, omdat die informatie opheldering zou kunnen geven over de vraag of eiser in die jaren over niet door hem aangegeven vermogen beschikte (vgl. Hoge Raad 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7498). Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat uit het zogenoemde BVR-systeem van de belastingdienst naar voren komt dat de achternamen op het onder 1 genoemde renseignement een unieke naamcombinatie oplevert en dat is die van eiser en zijn echtgenote. Met het ten aanzien van eiser gewezen arrest van de Hoge Raad van 2 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1032, is onherroepelijk komen vast te staan dat eiser terecht als houder van de onder 1 genoemde [M] rekening is geïdentificeerd. Daarnaast acht de rechtbank het, gelet op de hoogte van de saldi van de [M] rekening in 1996 en de wijze waarop die saldi waren belegd, aannemelijk dat eiser een belegging voor de lange termijn heeft aangehouden zodat niet uitgesloten is dat hij in de jaren 2008 tot en met 2010 nog steeds over (een deel van) die saldi heeft kunnen beschikken.
8.
De omstandigheid dat de renseignementen saldigegevens uit het jaar 1996 bevatten, kan aan voormeld oordeel niet afdoen, nu voor de bevoegdheid van verweerder tot het stellen van vragen op de voet van artikel 47, eerste lid, van de Awr niet vereist is dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat eiser een [M] rekening heeft in de jaren waarover informatie wordt opgevraagd; een redelijk vermoeden daartoe is voldoende (vgl. Hoge Raad 1 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1016). Ook het beroep van eiser op de uitspraak van rechtbank Breda van 20 september 2012, (ECLI:NL:RBBRE:2012:BY2216), faalt, nu in het aldaar voorliggende geval de gerechtigdheid tot een buitenlandse bankrekening niet aannemelijk was gemaakt.
9.
Gelet op het vorenstaande kon eiser dan ook niet volstaan met de enkele ontkenning dat hij en zijn echtgenote in de jaren 2008 tot en met 2010 een buitenlandse bankrekening hadden. Eiser heeft derhalve niet voldaan aan zijn informatieverplichting, zodat de informatiebeschikkingen terecht zijn gegeven.
10.
De beroepen zijn ongegrond.
Proceskosten
11.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- stelt eiser een termijn van zes weken, gerekend vanaf de dag waarop deze uitspraak is verzonden, om alsnog aan verweerder de in de informatiebeschikkingen gevraagde informatie te verstrekken.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A. Dirks, voorzitter, en mr. S.E. Postema en
mr. J.W. van den Berge, leden, in aanwezigheid van mr. U.A. Salomons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 september 2014.
itter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021,
2500 EA Den Haag.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1.
bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2.
het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.