Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 oktober 2014 in de zaak tussen
[eiser], te [plaats], eiser,
het college van burgemeester en wethouders van Westland, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
20 september 2012 ongegrond is verklaard door het UWV. Tegen laatstgenoemd besluit is geen beroep ingesteld.
30 november 2012 een startgesprek tussen eiser en zijn teamleider, [B], plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek zijn werkafspraken gemaakt. Van het gesprek en de afspraken is een verslag opgemaakt, welk verslag door eiser en [B] op 4 januari 2013 voor akkoord is getekend. In het verslag staat onder meer als werkafspraak genoemd dat het beheerbestand van eiser per 1 februari 2013 over een periode van vier maanden wordt opgebouwd zodat op 31 mei 2013 het beheerbestand van 96 klanten is bereikt. Dit betekent concreet een opbouw van 24 klanten per maand. Voorts staat in het verslag genoemd dat eiser en [B] het niet eens zijn over verschillende uitgangspunten. Onder meer is als opvatting van eiser over het begrip “eigen werk” het volgende vermeld: “
eigen werk is in Ruuds dossier een juridisch geladen begrip. Gezien het dossierverloop in de afgelopen jaren, is het eigen werk juridisch gezien beperkt tot pakweg 48 beheerdossiers. Datgene wat [eiser] daarboven uit gaat voeren is dan vrijwillig. Het is niet zo dat hij dat niet wil doen, hij zal er zelfs naar streven, maar zijn opvatting is dat de genoemde 96 dossiers het aantal overschrijdt wat juridisch van hem kan worden gevraagd.” Als opvatting van [B] is voorts vermeld: “
ik kan opdragen wat normaal binnen deze functie redelijkerwijs opgedragen kan worden. Normaal is dan afgemeten aan de gemiddelde collega waarvan ik een zekere prestatie mag verwachten en op die prestatie kan beoordelen. Een fulltime caseload van 120 is redelijk voor een fulltimer. De caseload van [eiser] is omgerekend naar zijn parttimefactor dan op 96 te bepalen.”
(…) het gesprek zojuist met MdW was zeer constructief. Duidelijk plan van aanpak, opbouw van caseload in porties van 24 per maand. De 3e portie wordt in ieder geval een schriftelijke werkopdracht zodat ik in bezwaar kan gaan. Ik stel namelijk dat circa 48 dossiers van me geëist kan worden maar meer niet. (…).”
12 juni 2013 heeft beslist en dat hij verweerder in gebreke heeft gesteld. Voorts voert eiser tegen de beslissing op bezwaar aan dat verweerder, die eisers medische beperkingen kent, zijn handtekening onder het verslag van 4 januari 2013 niet had mogen interpreteren als een akkoord op de afspraak van de verhoging van de caseload. Eiser verwijst daarbij naar het verslag van 4 januari 2013 waaruit ook blijkt dat hij en [B] het niet eens zijn met elkaar over de vervolgstrategie. Zijn voor akkoord gezette handtekening had volgens eiser moeten worden geïnterpreteerd door verweerder als een blijk van enthousiasme om eindelijk eens een plan op papier te zien. Voorts voert eiser aan dat hij zich op het verkeerde been gezet voelde door de mededeling van [B] tijdens het gesprek op 30 november 2012 dat op enig moment in het proces van caseloadverhoging bezwaar mogelijk was als de tussentijdse ophogingen schriftelijk zou worden gemeld, zodat eiser via een bezwaarschrift alsnog een signaal zou kunnen geven als hij nog niet klaar was voor de verhoging. Dat [B] in zijn algemeenheid zou hebben gezegd dat bezwaar te allen tijde mogelijk is, betwist eiser. Eiser stelt verder dat verweerder zelf maandelijks had moeten controleren of de ophoging van de caseload op een verantwoorde wijze gebeurde.
Beslissing
- verklaart het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep van eiser tegen het besluit van 31 maart 2014 ongegrond.