ECLI:NL:RBDHA:2014:12982
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bezwaar tegen beslissing rechter-commissaris inzake getuigenverhoor opsporingsambtenaren
De meervoudige strafkamer van de rechtbank Den Haag behandelde het bezwaar van verdachte tegen een beschikking van de rechter-commissaris van 3 oktober 2014. Deze beschikking wees verzoeken van de verdediging af om diverse opsporingsambtenaren als getuigen te horen, waarbij werd gesteld dat schriftelijke vragen volstaan tenzij er gegronde vermoedens van onregelmatigheden zijn.
De verdediging stelde dat er sprake was van parallelle opsporing door twee politieteams, waarbij het ene team zich voordeed als verkeerscontrole terwijl feitelijk gericht werd gerechercheerd naar strafbare feiten. Dit zou leiden tot onrechtmatig handelen en noodzaak tot persoonlijk verhoor van de verbalisanten. De officier van justitie vond het bezwaar ongegrond en verwees naar de mogelijkheid schriftelijke vragen te stellen.
De rechtbank oordeelde dat de rechter-commissaris de juiste maatstaf had toegepast en dat onvoldoende concrete aanwijzingen waren aangevoerd om af te wijken van de regel dat opsporingsambtenaren in beginsel via proces-verbaal worden gehoord. Het bezwaar werd daarom ongegrond verklaard.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer op 21 oktober 2014, waarbij de rechtbank het belang van een voortvarende procesgang en de mogelijkheid tot schriftelijke vragen benadrukte.
Uitkomst: Het bezwaar van verdachte tegen de beslissing van de rechter-commissaris om het horen van opsporingsambtenaren te weigeren is ongegrond verklaard.