ECLI:NL:RBDHA:2014:1403
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende gronden en toekenning schadevergoeding
Eiser, een Congolese vreemdeling, werd op 23 december 2013 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen deze vrijheidsontnemende maatregel. De rechtbank Den Haag behandelde het beroep op 2 januari 2014 en oordeelde dat de gronden voor bewaring onvoldoende waren.
Verweerder stelde dat de bewaring gerechtvaardigd was vanwege het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken, onder meer omdat eiser meerdere verblijfsaanvragen had ingediend, verdachte was van een misdrijf en een inreisverbod had. De rechtbank verwierp deze gronden: de eerdere asielaanvraag uit 1994 was niet relevant vanwege het rechtmatig verblijf daarna, de enkele aanvraag in 2013 was onvoldoende, en het inreisverbod was opgelegd tijdens strafrechtelijke detentie waardoor geen onttrekkingsgevaar bestond.
De rechtbank concludeerde dat de vrijheidsontnemende maatregel in strijd was met artikel 5.1b van het Vreemdelingenbesluit 2000 en verklaarde het beroep gegrond. De bewaring werd onmiddellijk opgeheven. Tevens kende de rechtbank eiser een schadevergoeding toe van €1145,-- voor de onrechtmatige bewaring en veroordeelde de Staat tot betaling van proceskosten van €944,--.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de bewaring wordt onmiddellijk opgeheven en eiser ontvangt een schadevergoeding van €1145 en proceskosten van €944.