ECLI:NL:RBDHA:2014:15680
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing ontbindingsverzoek arbeidsovereenkomst wegens verband met OR-lidmaatschap
De werknemer is sinds 1995 in dienst bij de werkgever en sinds 2009 lid van de ondernemingsraad (OR). In 2014 zijn klachten ontvangen over zijn gedrag richting cliënten, waarna hij op non-actief werd gesteld en een onderzoek volgde. De werkgever verzocht ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens vertrouwensbreuk en verstoring van de arbeidsrelatie.
De werknemer voerde verweer dat het verzoek verband hield met zijn OR-lidmaatschap en dat de klachten ongegrond en anoniem waren. Ook stelde hij dat de werkgever de klachtenprocedure niet zorgvuldig had gevolgd en dat hij niet adequaat was geïnformeerd.
De rechtbank oordeelde dat het verband met het OR-lidmaatschap aannemelijk was, mede gezien het vertrek van meerdere OR-leden en een negatief beeld van de arbeidsomstandigheden. Daarnaast was onvoldoende vastgesteld wie de klagers waren en was de context van de klachten onduidelijk, waardoor een zorgvuldige afhandeling ontbrak.
Gelet hierop was er geen sprake van een zodanige vertrouwensbreuk dat ontbinding gerechtvaardigd was. De werkgever had bovendien niet geprobeerd tot herplaatsing te komen. Het verzoek tot ontbinding werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het ontbindingsverzoek wordt afgewezen omdat het verband met het OR-lidmaatschap aannemelijk is en de klachtenprocedure onvoldoende zorgvuldig is gevolgd.