Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 11 december 2014 in de zaken tussen
[eiser], wonende te [X], eiser
[P], verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
- Bij beschikkingen van 28 februari 2011 heeft verweerder voor het jaar 2011 de waarde van huisnr. 10 vastgesteld op € 4.380.000 en die van huisnr. 12 op € 4.943.000 (totale WOZ waarde € 9.809.000).
- Bij beschikkingen van 31 december 2012 heeft verweerder voor het jaar 2012 de waarde van huisnr. 10 vastgesteld op € 1.127.000 en die van huisnr. 12 op € 1.833.000 (totale WOZ waarde € 2.960.000).
- Bij beschikkingen van 30 juni 2013 heeft verweerder voor het jaar 2011 de waarde van huisnr. 10 vastgesteld op € 1.150.000 en die van huisnr. 12 op € 1.818.000 (totale WOZ waarde € 2.968.000).
45 m²
22 m² 62 m³
[adres], transportdatum: 20-08-2012, transactiesom: € 7.900.000, kadastrale oppervlakte: 6.333 m², omschrijving: vrijstaande woning.
- de beschikkingen en aanslagen voor de jaren 2011 en 2012 zijn opgelegd in strijd met de wettelijke bepalingen dan wel het zorgvuldigheidsbeginsel;
- toepassing van het vertrouwensbeginsel ertoe dient te leiden dat de WOZ-waarde voor de jaren 2011, 2012 en 2013 op nihil dient te worden gesteld;
- de uiteindelijk door verweerder voor de onderhavige jaren voor het object bepleite WOZ-waarden te hoog zijn. Meer specifiek is daarbij in geschil de bestemmingswaarde van het object per de verschillende waardepeildata;
- eiser ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarfase;
- eiser recht heeft op een integrale proceskostenvergoeding.
rgvuldigheidsbeginsel. Eiser wijst in dit verband op het feit dat voor die jaren al eerder WOZ-beschikkingen zijn opgelegd die vervolgens door verweerder zijn vernietigd.
- De taxateur heeft ten onrechte de aankoop van eiser van het landgoed [naam 1] voor een bedrag van € 10.625.000 in de vergelijking betrokken. Eiser heeft dit landgoed weliswaar gekocht voor € 10.625.00, maar die aankoopsom ziet op meer dan alleen de gebouwen en de daarbij horende ondergrond. Voor de WOZ-waarde is alleen de aanschafwaarde van de percelen 1 en 2 (zie onder 2) van belang, en dan alleen voor zover dit bebouwde grond betreft.
- Bij het bepalen van de bestemmingswaarde voor huisnr. 10 is ten onrechte uitgegaan van de (niet te bepalen) WEV. Huisnr. 10 is van slechte kwaliteit en is een niet zelfstandige woning die zo dicht op huisnr. 12 staat dat deze niet afzonderlijk kan worden verkocht. Omdat huisnr. 10 een incourant deelobject is, dient deze in de waardering te worden betrokken voor de (lagere) herbouwwaarde.
- De gehanteerde vergelijkingsobjecten zijn niet vergelijkbaar met het object; de vergelijkingsobjecten vormen géén NSW-landgoed, zijn géén rijksmonument en hebben niet een pand als huisnr. 10 pal naast het hoofdhuis staan van veel mindere bouwkwaliteit.
- Met het feit dat huisnr. 12 en de tuin een rijksmonument zijn, heeft de taxateur in het geheel geen rekening gehouden.
- De staat van onderhoud van het object is minder dan waarvan de taxateur is uitgegaan. Ook heeft de taxateur er geen rekening mee gehouden dat de daken in februari 2014 zijn vervangen, wat ongeveer € 206.000 heeft gekost. Daarvóór, dus ook gedurende de bewuste jaren, waren de daken gebrekkig. Ook heeft eiser in de afgelopen jaren veel achterstallig onderhoud uitgevoerd. Daar heeft de taxateur ook geen rekening mee gehouden.
- De taxateur gaat uit van verkeerde oppervlakte- en inhoudsmaten.
- De grondwaarde waarvan de taxateur uitgaat is veel te hoog; die ligt om en nabij € 300 per m². Die grondprijs is ook bevestigd door [naam 3] en blijkt ook uit diverse grondmutaties in de nabije omgeving van het Landgoed.
- Bij het herleiden van de verschillende bestemmingswaarden heeft de taxateur ten onrechte de CBS index verkoopprijzen “bestaande woningen” gehanteerd; hij had de, voor eiser meer gunstige, index “Eengezinswoningen vrijstaand” moeten hanteren.
.
Beslissing
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar;
- wijzigt de beschikkingen aldus dat de vastgestelde waarde voor de jaren 2011, 2012 en 2013 wordt verminderd tot € 2.267.000 respectievelijk € 2.200.000 en € 2.076.000;
- vermindert de aanslagen onroerende-zaakbelastingen voor de jaren 2011, 2012 en 2013 tot aanslagen dienovereenkomstig;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.349.
- draagt verweerder op het voor deze procedures betaalde griffierecht van in totaal € 135 (3 x € 45) aan eiser te vergoeden.