ECLI:NL:RBDHA:2014:16411
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Openbaar ministerie niet-ontvankelijk wegens schending verbod van willekeur bij vervolging wapenbezit
Op 7 augustus 2014 werd verdachte betrapt op het voorhanden hebben van een ploertendoder en munitie in een auto te Voorschoten. Zowel verdachte als medeverdachte waren inzittenden van deze auto. De zaak tegen medeverdachte werd geseponeerd met code 02 (technisch sepot), terwijl tegen verdachte wel vervolging werd ingesteld.
De verdediging voerde aan dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens schending van het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur, omdat verdachte en medeverdachte zich in een vergelijkbare positie bevonden. De politierechter onderzocht de feiten, waaronder het eigendom van de auto, de positie van de inzittenden, en de justitiële documentatie van verdachte en medeverdachte.
De politierechter concludeerde dat de verschillen tussen verdachte en medeverdachte van ondergeschikte betekenis waren en dat er geen relevant verschil in justitiële documentatie was vastgesteld. Het sepot tegen medeverdachte was een technisch sepot wegens onvoldoende bewijs. Daarom was het instellen van vervolging tegen verdachte in strijd met het verbod van willekeur.
De politierechter verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging tegen verdachte. Dit oordeel was gebaseerd op een zorgvuldige afweging van het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur zoals neergelegd in artikel 167 Sv Pro en de beginselen van een goede procesorde.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard wegens schending van het verbod op willekeur bij vervolging.