Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.De tenlastelegging
en/of geld nodig hadden, die aangevers (terwijl die aangevers zich in een financieel kwetsbare positie bevonden) als voorwaarde voor de lening
en/of het betalen van een geldbedraggesteld dat zij op hun eigen naam een of meerdere telefoonabonnement(en) moesten afsluiten maar dat zij daarvan geen aansprakelijkheid zouden krijgen/ondervinden omdat die abonnementen door een bevriend persoon van hem, verdachte en/of zijn mededader(s), bij de telecommaatschappij "uit het systeem zouden worden gehaald" en/of ongedaan zouden worden gemaakt, waardoor er bij die aangevers de verwachting ontstond dat zij inderdaad geen aansprakelijkheid voor die telefoonabonnementen zouden dragen en/of vervolgens
met gegevens van die aangever(s) telefoonabonnementen (met bijbehorende telefoons) heeft/ hebben afgeslotenlaten bezorgen op het /de adres(sen) van die aangevers en/of (vervolgens) de telefoons bij die aangevers opgehaald en/of vervolgens
3.De ontvankelijkheid van de officier van justitie
4.Vrijspraak
doorhet oplichtingsmiddel (hier: het samenweefsel van verdichtsels) is bewogen tot, in deze zaak, het ter beschikking stellen van persoonlijke gegevens en bankrekeningnummer, alsmede de telefoons en simkaarten met bijbehorende telefoonabonnementen.
nietzozeer door het oplichtingsmiddel lijken te zijn bewogen tot de betreffende handelingen, maar bovenal door de intrinsieke wens hun financiële situatie te verbeteren. De meeste aangevers hebben
zelfhet initiatief genomen om op internet op zoek te gaan naar een lening buiten de gebruikelijke kanalen om, dan wel een manier om snel extra geld te verdienen. Zij hebben gereageerd op een advertentie op internet en zijn vervolgens tot de betreffende handelingen overgegaan, omdat zij dachten zo makkelijk geld te kunnen verkrijgen. Strikt genomen rechtvaardigt dit de conclusie dat reeds hierom geen sprake is van oplichting in de zin van artikel 326 lid 1 Sr Pro (vgl. ook Gerechtshof Amsterdam 23 maart 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1214).
5.De vorderingen van de benadeelde partijen
- de post die ziet op de aanvraag van een identiteitskaart dient te worden afgewezen, althans de benadeelde partij dient in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard;
- ten aanzien van de posten die zien op de facturen van de telecomproviders dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te worden verklaard;
- de immateriële schade dient te worden afgewezen, subsidiair dient de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk in de vordering te worden verklaard;
- afwenteling van de wettelijke rente op de verdachte is niet redelijk, nu er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn.