Uitspraak
Rechtbank Den HAAG
Internationale kinderontvoering
Beschikking op het op 9 december 2014 ingekomen verzoek van:
[vader],
[moeder],
Procedure
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift tevens houdende een zelfstandig verzoek (zonder bijlagen);
Rechtbank Den Haag
De vader verzocht de onmiddellijke terugkeer van zijn minderjarige zoon naar België op grond van het Haagse Kinderontvoeringsverdrag. De moeder voerde verweer en stelde dat terugkeer het kind ernstig zou schaden, met een zelfstandig verzoek tot onderzoek door de raad voor de kinderbescherming en subsidiair benoeming van een bijzondere curator.
De rechtbank oordeelde dat een dergelijk onderzoek niet past binnen het beoordelingskader van de teruggeleidingsprocedure en dat er geen gronden zijn voor de benoeming van een bijzondere curator, mede gelet op de standpunten van partijen. Partijen maakten geen gebruik van crossborder mediation.
Het beroep van de moeder op weigeringsgronden uit artikel 13 lid 1 sub b en Pro lid 2 HKOV faalde, omdat het niet onmogelijk is voor het kind om met de vader terug te keren en de Belgische autoriteiten voldoende bescherming kunnen bieden. Ook het verzet van het kind en een beroep op artikel 8 EVRM Pro en artikel 3 IVRK Pro werden verworpen.
De rechtbank benadrukte het belang van snel contactherstel tussen vader en zoon om verdere emotionele schade te voorkomen en adviseerde professionele hulp in België voor het kind. De behandeling van het verzoek van de vader wordt voortgezet door de meervoudige kamer.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek van de moeder tot onderzoek en benoeming van een bijzondere curator af en zet de behandeling van het verzoek van de vader tot teruggeleiding voort.