Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 april 2014 in de zaak tussen
[verzoeker],
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
In de aanvullende gronden van het verzoek om een voorlopige voorziening van 27 maart 2014 heeft verzoeker verwezen naar een aantal artikelen over de veroordeling op 6 februari 2014 van een collega van verzoeker, de heer [collega]. Hij is veroordeeld tot een gevangenis-straf van 12 jaar en een uitreisverbod van 20 jaar op grond van grotendeels valse beschuldigingen.
a. de verzoeker heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn verzoek te staven;
b. de verzoeker heeft alle relevante elementen waarover hij beschikt, overgelegd of een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere relevante elementen;
c. de verklaringen van de verzoeker zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn verzoek;
d. de verzoeker heeft zijn verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk ingediend, tenzij hij goede redenen kan aanvoeren waarom hij dit heeft nagelaten, en
e. vast is komen te staan dat de verzoeker in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd.
Uit de door verzoeker overgelegde informatie, waaronder:
- een bericht van Reporters Sans Frontières: Authorities urged to free journalist sentenced to 12 years in jail van 18 februari 2014;
- het Annual report on press freedom in 2012 van het Committee to Protect Journalists van 14 februari 2013;
- het rapport gedateerd 1 mei 2013, Freedom of the press 2013 – Saudi Arabia van Freedom House,
valt af te leiden dat (kritische) media in of gericht op Saoedie-Arabië te maken hebben met ernstige vormen van repressie.
Nu verzoeker op het onderdeel van zijn relaas dat ziet op zijn werkzaamheden voor de televisiezender [naam] naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldaan heeft aan de vereisten, genoemd in artikel 4, vijfde lid, van de Definitierichtlijn, mag van verweerder worden verwacht dat hij verzoeker tegemoet komt in de in beginsel op verzoeker rustende bewijslast om zijn asielrelaas aannemelijk te maken. Daarbij kan gedacht worden aan het verrichten van onderzoek naar aanleiding van de door verzoeker overgelegde rapporten en nieuwsberichten door de IND of door het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Verweerder zou bijvoorbeeld het Ministerie van Buitenlandse Zaken kunnen verzoeken een algemeen, dan wel individueel ambtsbericht uit te laten brengen, te meer nu er over Saoedi-Arabië nog geen algemeen ambtsbericht is uitgebracht en er evenmin een specifiek landenbeleid is geformuleerd. Verweerder heeft bij gebreke daarvan het standpunt dat kritische journalisten in Saoedi-Arabië niet als een risicogroep of een kwetsbare minderheidsgroep kunnen worden aangemerkt, onvoldoende onderbouwd. Daarbij komt dat verweerder evenmin is ingegaan op het door verzoeker overgelegde bericht in Al-Monitor van 3 mei 2013 dat de Saoedische autoriteiten wel degelijk aandacht hebben voor oppositionele media:
Ten aanzien van de door verzoeker overgelegde stukken over de veroordeling van een collega-journalist en [functie] van een televisieprogramma, [collega] tot een gevangenisstraf van 12 jaren en een reisverbod voor de duur van 20 jaren wegens, onder meer, “disobeying the sovereign” en “defaming the state and judicial institutions”, heeft verweerder ter zitting tegengeworpen dat hij mogelijk (ook) is veroordeeld wegens verduistering. De voorzieningenrechter overweegt dat niet duidelijk is geworden waar verweerder deze veronderstelling op heeft gebaseerd. Evenmin is duidelijk, indien alsnog zou blijken dat de betrokken persoon mede wegens een commuun delict is veroordeeld, wat dit afdoet aan de overige beschuldigingen waarop de gevangenisstraf kennelijk is gebaseerd. Met enkel de verwijzing naar voornoemd verslag van de mensenrechtenambassadeur kan verweerder verzoekers stelling dat hij minimaal een vergelijkbare straf verwacht bij terugkeer, niet weerleggen. Verweerder heeft, door in het bestreden besluit niet inhoudelijk in te gaan op de door verzoeker overgelegde rapporten en nieuwsberichten en door evenmin aanleiding te zien voor het verrichten van nader onderzoek - terwijl verzoeker een oprechte inspanning heeft geleverd om zijn verzoek te staven, zijn verklaringen samenhangend zijn en overeenstemmen met de beschikbare informatie en zijn relaas in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd - gehandeld in strijd met de in artikel 4, vijfde lid, van de Definitierichtlijn bedoelde samenwerkingsverplichting.