ECLI:NL:RBDHA:2014:4737
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens persoonlijke deelname aan ernstige niet-politieke misdrijven bij Basij
Eiser, van Iraanse nationaliteit, diende op 30 juni 2011 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder wees deze aanvraag bij besluit van 6 december 2012 af op grond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, omdat eiser ernstige niet-politieke misdrijven zou hebben gefaciliteerd en persoonlijk aan deze misdrijven zou hebben deelgenomen tijdens zijn werkzaamheden voor de Basij.
De rechtbank overweegt dat de Basij bekendstaat als een organisatie die systematisch marteling en mishandeling pleegt, misdrijven die onder artikel 1(F) vallen. Eiser heeft de ambtsberichten en openbare bronnen die dit ondersteunen niet betwist en heeft geen concrete aanwijzingen geleverd die twijfel rechtvaardigen. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat eiser, mede door zijn langdurige en hooggeplaatste functies binnen de Basij, persoonlijk heeft bijgedragen aan deze misdrijven.
Eiser voerde aan dat hij zich niet vrijwillig aan deze werkzaamheden kon onttrekken en dat er sprake was van dwang, maar de rechtbank achtte dit niet aannemelijk gezien de inconsistenties in zijn verklaringen en het ontbreken van bewijs voor overmacht. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Daarnaast is vastgesteld dat aan eiser geen inreisverbod is opgelegd, ondanks dat dit in het besluit werd gesuggereerd.
De uitspraak bevestigt dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag kan worden toegepast indien sprake is van knowing en personal participation, ook als er een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer bestaat. Het beroep is afgewezen en er worden geen kosten aan partijen opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de asielaanvraag afgewezen wegens toepassing van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag.