Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 14 april 2014 in de zaak tussen
de staatssecretaris van Economische Zaken, te Den Haag, eiser
het algemeen bestuur van het recreatieschap Midden-Delfland, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
€ 51.267.246,00 gelet op de van toepassing zijnde omstandigheden redelijk is, overweegt de rechtbank het volgende.
in beginselmag worden verwacht dat het zich binnen de periode van de begrotingssystematiek kan aanpassen aan ten gevolge van het uittreden gewijzigde omstandigheden, maar dat op dit uitgangspunt een uitzondering kan worden gemaakt wanneer sprake is van langlopende, niet te mitigeren financiële verplichtingen. Nu er in dit geval sprake is van substantiële langlopende en niet te mitigeren financiële verplichtingen van het RMD inzake beheer en onderhoud, is het hanteren van een afbouwperiode van vijf jaar in onderhavige zaak volgens verweerder niet redelijk. Verweerder heeft ter onderbouwing hiervan aangevoerd dat met het uittreden van het Rijk uit de gemeenschappelijke regeling de taken en verplichtingen die samenhangen met het beheer en het onderhoud van de recreatiegebieden van het RMD niet afnemen. Ook de oppervlakte van de te beheren en te onderhouden recreatiegebieden blijft ongewijzigd. De wegvallende deelnemersbijdrage van het Rijk kan naar verweerder betoogt bij dergelijke verplichtingen niet binnen vijf jaar worden opgevangen door het RMD. Zoals blijkt uit bijlage 2 bij het primaire besluit (de Voordracht Midden-Delflandraad Recreatieschap Midden-Delfland van 29 juni 2012) hanteert verweerder voor de berekening van de afkoopsom voor de gronden die door de deelnemers in eigendom zijn verkregen, als uitgangspunt dat het beheer van deze gronden in eigendom eeuwigdurend doorloopt en dat deze gronden door verweerder derhalve eeuwigdurend beheerd moeten worden. De afkoop voor dit gedeelte van de beheertaken dient daarom ook eeuwigdurend zijn. Hiervoor wordt boekhoudkundig een termijn van zestig jaar gehanteerd. Hiervan uitgaande heeft verweerder voor de afkoop van deze beheertaken de schadeloosstelling op een bedrag van
€ 43.161.776,00 vastgesteld. Voor de afkoop van de beheertaken die zien op de gronden die door het Rijk in erfpacht zijn uitgegeven, heeft verweerder een afkooptermijn van veertig jaar gehanteerd omdat de meeste erfpachtcontracten lopen tot 2051 en deze contracten niet kunnen worden opgezegd of gewijzigd. Voor de afkoop van deze beheertaken stelt verweerder de schadeloosstelling op een bedrag van € 27.884.797,00. Bij deze berekeningen is verweerder uitgegaan van een verhouding gronden in erfpacht versus gronden in eigendom van het RMD van 22,13% versus 77,87%. Uitgaande van – onder meer – de bovengenoemde uitgangspunten heeft verweerder de totale schade ten gevolge van de uittreding van eiser vastgesteld op € 69.544.776,00. De hoogte van de uittreedsom is op basis van de netto contante waarde van het schadebedrag vastgesteld op € 51.267.246,00.
Ten aanzien van de vraag welk deel van de aldus door verweerder becijferde schade door eiser moet worden vergoed stelt verweerder zich op het standpunt dat de hoogte van de uittreedsom nagenoeg gelijk dient te zijn aan de bedrijfseconomische schade, nu er sprake is van langlopende niet te mitigeren verplichtingen van beheer en onderhoud.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten € 318,-, vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten van € 974,-.