Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
[Z], eiseres
Rechtbank Den Haag
Eiseres, een werkgever, heeft in 2012 een werknemer een loon van €194.984 betaald en over dit bedrag pseudo-eindheffing hoog loon afgedragen conform artikel 32bd van de Wet op de loonbelasting 1964. Zij maakte bezwaar tegen deze afdracht, stellende dat de heffing in strijd is met de wetssystematiek en internationale verdragsbepalingen zoals het EVRM en IVBPR. Verweerder wees het bezwaar af en eiseres stelde beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelde dat de pseudo-eindheffing uitdrukkelijk is geregeld in artikel 32bd en dat deze heffing niet in strijd is met artikel 1 van Pro de Wet op de loonbelasting 1964. Ook werd geoordeeld dat de heffing niet onrechtmatig is en geen ontoelaatbare aantasting vormt van het eigendomsrecht zoals beschermd in artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. De wetgever heeft een ruime beoordelingsvrijheid bij fiscale maatregelen, en de gekozen werkgeversheffing is een legitiem instrument om het begrotingstekort te verminderen.
Verder werd overwogen dat de heffing niet discrimineert in de zin van artikel 14 EVRM Pro en artikel 26 IVBPR Pro, aangezien er een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat voor de gekozen regeling. De rechtbank wees het beroep af en kende geen proceskostenvergoeding toe.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de pseudo-eindheffing hoog loon wordt ongegrond verklaard en de heffing bevestigd.