Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Gelderlandvan 29 januari 2013, nr. AWB 12/5955, betreffende een aanslag in de erfbelasting.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Belanghebbende stelde in cassatie dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in de Successiewet, die een onderscheid maakt tussen ondernemingsvermogen en ander vermogen bij de erfbelasting, in strijd is met het discriminatieverbod van internationale verdragen zoals het IVBPR en het EVRM.
De Rechtbank Gelderland had geoordeeld dat het onderscheid gerechtvaardigd is door het doel van de faciliteit: het voorkomen van liquiditeitsproblemen bij ondernemingen en het stimuleren van ondernemerschap. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt de ruime beoordelingsvrijheid van de fiscale wetgever bij dergelijke regelingen.
De Hoge Raad stelt dat het onderscheid tussen ondernemingsvermogen en ander vermogen als gelijke gevallen voor de heffing van successierecht moet worden beschouwd, maar dat de faciliteit een objectieve en redelijke rechtvaardiging kent. De wetgever heeft met de faciliteit beoogd de continuïteit van familiebedrijven te waarborgen en ondernemerschap te stimuleren, wat gerechtvaardigde doelen zijn.
Hoewel niet alle empirische onderbouwing voor de hoogte van de vrijstellingspercentages aanwezig is, is de wetgever niet evident onredelijk geweest in zijn keuzes. De faciliteit overschrijdt de grenzen van de beoordelingsvrijheid niet en leidt niet tot verboden discriminatie.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt daarmee de uitspraak van de Rechtbank Gelderland.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de aanslag erfbelasting blijft in stand.