ECLI:NL:RBDHA:2014:5869
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling kinderpardon en mvv-vereiste bij verblijfsvergunning vreemdelingen
Eisers, allen van Kameroense nationaliteit, vroegen een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op basis van de definitieve regeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen (kinderpardon). De aanvraag werd afgewezen omdat zij niet beschikten over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en niet voldeden aan de voorwaarden van de regeling, met name omdat eiseres 1 geen asielaanvraag had ingediend.
Eisers voerden aan dat het onderscheid tussen kinderen met en zonder asielachtergrond discriminerend en onrechtvaardig is, en dat het belang van het kind prevaleert op grond van het IVRK en EVRM. Zij stelden dat zij ernstige ontwikkelingsschade zouden lijden bij terugkeer naar Kameroen en dat het mvv-vereiste onterecht werd toegepast.
De rechtbank oordeelde dat de regeling begunstigend beleid betreft waarbij verweerder een ruime beoordelingsvrijheid heeft. Het onderscheid tussen asielkinderen en niet-asielkinderen is gerechtvaardigd vanwege internationale verplichtingen en de bijzondere bescherming die asielkinderen genieten. Het beroep op discriminatie faalde, evenals het beroep op het belang van het kind en het mvv-vereiste. De belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro mocht ten nadele van eisers uitvallen. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning op grond van het kinderpardon wordt ongegrond verklaard.