ECLI:NL:RBDHA:2014:6651
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen verblijfsvergunning op grond van subsidiaire bescherming
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 27 februari 2014 waarbij hem een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betoogt dat hem ten onrechte geen verblijfsvergunning is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, omdat hij als vluchteling had moeten worden erkend.
De rechtbank overweegt dat verweerder inmiddels een schriftelijke motivering heeft gegeven voor het niet verlenen van een verblijfsvergunning op de a-grond. Daarnaast heeft eiser op grond van de verleende verblijfsvergunning op de b-grond geen belang meer bij het instellen van beroep tegen het besluit, mede omdat aan gezinsleden een verblijfsvergunning kan worden verleend op grond van artikel 29, tweede lid. Procesbelang kan pas ontstaan indien de verblijfsvergunning wordt ingetrokken of gezinsleden een verblijfsvergunning wordt geweigerd.
De rechtbank concludeert dat het beroep niet-ontvankelijk is verklaard wegens het ontbreken van een actueel belang. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot verlening van een verblijfsvergunning op grond van subsidiaire bescherming wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.