ECLI:NL:RBDHA:2014:7244
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting Somalische asielzoeker wegens schending rechtsmiddelen
De zaak betreft een Somalische asielzoeker die tegen een afgewezen asielaanvraag en een opgelegd inreisverbod beroep heeft ingesteld. De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie had besloten de verzoeker op 15 juni 2014 uit Nederland te verwijderen en de Somalische autoriteiten te informeren over zijn strafrechtelijke verleden. De verzoeker vorderde een voorlopige voorziening om deze uitzetting te schorsen totdat op het beroep was beslist.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake was van een spoedeisend belang, omdat de uitzetting onomkeerbare gevolgen kan hebben en de beroepsprocedure nog niet was afgerond. Er was een arguable claim dat terugkeer naar Somalië een schending van artikel 3 EVRM Pro zou opleveren. Tevens werd geoordeeld dat het ontbreken van schorsende werking van het rechtsmiddel in strijd is met artikel 13 EVRM Pro en artikel 39 van Pro de Procedurerichtlijn.
De voorzieningenrechter verwierp het standpunt van de staatssecretaris dat de spoedige behandeling van de zaak aan de verzoeker zelf te wijten was en dat afspraken met Somalische autoriteiten het uitgangspunt van een zorgvuldige procedure niet mochten doorkruisen. De voorlopige voorziening werd toegewezen, het besluit tot uitzetting geschorst en de staatssecretaris veroordeeld tot betaling van proceskosten. Een tweede verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat dat belang inmiddels was komen te vervallen.
Uitkomst: Het besluit tot uitzetting van de Somalische asielzoeker wordt geschorst totdat op het beroep is beslist.