ECLI:NL:RBDHA:2014:7245
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting Somalische zeepiraat in afwachting van beroepsprocedure
De zaak betreft een Somalische man, veroordeeld voor zeeroof, die tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en een opgelegd inreisverbod beroep heeft ingesteld. De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie had besloten hem op 29 juni 2014 uit Nederland te verwijderen en de Somalische autoriteiten te informeren over zijn strafrechtelijke verleden.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de uitzetting niet mocht plaatsvinden voordat op het beroep was beslist, omdat er een reëel risico bestaat dat verzoeker bij terugkeer naar Somalië een schending van artikel 3 EVRM Pro (verbod op foltering en onmenselijke behandeling) zal ondervinden. Tevens is het ontbreken van schorsende werking van het rechtsmiddel in strijd met artikel 13 EVRM Pro en de Procedurerichtlijn 2005/85/EG.
De voorzieningenrechter verwierp het standpunt van de staatssecretaris dat de spoedige behandeling van de zaak aan verzoeker zelf te wijten was en benadrukte het belang van een zorgvuldige procedure. Daarnaast werd verzoeker vrijgesteld van griffierecht vanwege zijn detentiesituatie. Het verzoek om een voorlopige voorziening om de uitzetting te schorsen werd toegewezen, terwijl een ander verzoek om vrijstelling van griffierecht werd afgewezen omdat het belang reeds was gediend.
De staatssecretaris werd veroordeeld tot betaling van proceskosten. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 13 juni 2014 door voorzieningenrechter M.C. Verra.
Uitkomst: De uitzetting van verzoeker wordt geschorst totdat op het beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag is beslist.