Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2014:7277

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 juni 2014
Publicatiedatum
13 juni 2014
Zaaknummer
C-09-467299 - KG ZA 14-671
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 438 lid 4 RvArt. 430 lid 3 RvArt. 611a lid 3 RvArt. 6:91 BWArt. 6:92 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen onmiddellijke executoriale titel voor boetes voorafgaand aan betekening vaststellingsovereenkomst

De Stichting tot Verhaal van Letsel- en Overlijdensschade (Stichting c.s.) sloot op 5 maart 2014 een vaststellingsovereenkomst met [B], waarin een geheimhoudingsplicht werd opgenomen met een boetebeding van €25.000 per overtreding per dag. Na vermeende schendingen door [B], die geen bekende verblijfplaats heeft, gaf de Stichting opdracht aan een gerechtsdeurwaarder om de overeenkomst te betekenen en betaling van €10.100.000 aan boetes te vorderen.

De gerechtsdeurwaarder weigerde het betalingsbevel te doen, stellende dat boetebedragen pas na betekening van de executoriale titel kunnen worden verbeurd, vergelijkbaar met dwangsommen. De voorzieningenrechter oordeelde dat het proces-verbaal niet zonder meer een executoriale titel oplevert voor boetes die zijn verbeurd vóór de eerste betekening van dat proces-verbaal.

De voorzieningenrechter benadrukte dat de boete een voorwaardelijke titel is, afhankelijk van het niet-naleven van de geheimhoudingsplicht, en dat voorafgaande betekening noodzakelijk is om de schuldenaar te informeren en discussie over executie te voorkomen. De Stichting kan wel een afzonderlijke executoriale titel verkrijgen voor boetes die voorafgaand aan de betekening opeisbaar zijn geworden.

De Stichting werd veroordeeld in de proceskosten, terwijl [B] geen kosten werd toegekend. Dit vonnis werd op 6 juni 2014 door mr. G.P. van Ham gewezen.

Uitkomst: De Stichting kan geen betalingsbevel doen voor boetes die zijn verbeurd vóór de eerste betekening van het proces-verbaal.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/467299 / KG ZA 14-671
Vonnis in kort geding van 6 juni 2014
in de zaak van
1. de stichting
Stichting tot Verhaal van Letsel- en Overlijdensschade, tevens handelende onder de naam
Nederlandse Letselstichting,
gevestigd te Amstelveen,
2. mr. [A],
kantoorhoudend te Amsterdam,
eisers,
advocaat mr. A.E.A. Breekland te Assen,
tegen:
[B],
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
gedaagde,
niet verschenen.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de Stichting c.s.’ en ‘[B]’.

1.Het procesverloop

Op 5 juni 2014, na kantoortijd, heeft J.G.W. van Straalen, gerechtsdeurwaarder, gevestigd te Den Haag (hierna ‘de gerechtsdeurwaarder’), zich bij de voorzieningenrechter vervoegd en hem verzocht op de voet van artikel 438, vierde lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in kort geding tussen partijen te beslissen over de vraag of de deurwaarder na betekening van een proces-verbaal een bevel kan doen tot betaling van de in de visie van de Stichting c.s., voorafgaand aan die betekening, op grond van de in dat proces-verbaal vervatte vaststellingsovereenkomst verbeurde boetes.
De voorzieningenrechter heeft 6 juni 2014 als datum voor een mondelinge behandeling bepaald. De gerechtsdeurwaarder heeft de Stichting c.s. van de zitting op de hoogte gesteld. Gelet op de aard van het door de gerechtsdeurwaarder opgeworpen bezwaar, heeft de voorzieningenrechter oproeping van [B] niet noodzakelijk geacht. Anderhalf uur voor aanvang van de behandeling heeft de voorzieningenrechter het proces-verbaal ex artikel 438 lid 4 Rv Pro van 5 juni 2014 ontvangen. De behandeling heeft plaatsgevonden op 6 juni 2014 in aanwezigheid van de Stichting c.s., hun advocaat en de gerechtsdeurwaarder. Na een korte schorsing heeft de voorzieningenrechter mondeling een verkort vonnis gewezen.
Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking.

2.Rechtsoverwegingen

2.1.
Op 5 maart 2014 is tussen de Stichting c.s. en [B] ten overstaan van het Gerechtshof Den Haag een vaststellingsovereenkomst gesloten. Hierbij zijn partijen onder meer een geheimhoudingsbepaling overeengekomen, waarbij is bepaald dat bij schending van die geheimhoudingsbepaling de nalatige partij ten behoeve van iedere wederpartij een direct opeisbare boete van € 25.000,- per gebeurtenis per dag verschuldigd zal zijn. Het proces-verbaal is in executoriale vorm aan partijen afgegeven.
2.2.
Nadat de Stichting c.s. hadden geoordeeld dat [B], die geen bekende woon- of verblijfplaats heeft, de geheimhoudingsbepaling meerdere malen had overtreden, hebben zij de gerechtsdeurwaarder opdracht gegeven de vaststellingsovereenkomst op 6 juni 2014 omstreeks 10:00 uur aan [B] te betekenen en haar bevel tot betaling te doen van € 10.100.000,- ter zake van door haar verbeurde boetes. De gerechtsdeurwaarder heeft toegezegd de vaststellingsovereenkomst te betekenen, maar geweigerd het bevel tot betaling te doen, aangezien volgens de gerechtsdeurwaarder boetebedragen, net als dwangsommen, eerst na betekening van de executoriale titel kunnen worden verbeurd. De Stichting c.s. hebben het verzoek tot het doen van het betalingsbevel gehandhaafd, aangezien volgens hen de boete niet gelijk te stellen is met een dwangsom en partijen in de vaststellingsovereenkomst zijn overeengekomen dat de boete direct opeisbaar is. Met betrekking tot deze kwestie overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
2.3.
Op grond van artikel 430 Rv Pro derde lid geldt als uitgangspunt dat een executoriale titel niet ten uitvoer kan worden gelegd dan na betekening aan de partij tegen wie de executie zich zal richten. Het onderhavige geschil spitst zich toe op de vraag of bij de betekening van de titel bevel kan worden gedaan tot betaling van boetes die voordien, vóór (de eerste) betekening, opeisbaar zouden zijn geworden.
2.4.
De voorbereidingstijd voor dit kort geding en de tijd voorafgaand aan het door de Stichting c.s. gewenste tijdstip van betekening is onvoldoende gebleken om deze vraag met voldoende zekerheid te beantwoorden. Dit antwoord is in ieder geval niet af te leiden uit de door de Stichting c.s. aangehaalde uitspraak van de voorzieningenrechter van de (toenmalige) rechtbank Leeuwarden (ECLI:NL:RBLEE:2010:BN7248). In die zaak is niet gesteld of gebleken dat de vaststellingsovereenkomst niet is betekend voordat aanspraak werd gemaakt op de verbeurde boetes, terwijl ten aanzien van de partij die in eerste instantie een beroep had gedaan op het achterwege blijven van die betekening, die verplichting niet gold, aangezien deze partij de echtgenoot was van de partij tegen wie de executie zich richtte. Ook de voorzieningenrechter van de (toenmalige) rechtbank Haarlem heeft in zijn vonnis van 10 oktober 2011 (ECLI:NL:RBHAA:2011:BT7332) het antwoord op de onderhavige kwestie nadrukkelijk in het midden gelaten.
2.5.
De voorzieningenrechter overweegt dat de overeengekomen boete enerzijds te beschouwen is als een voorwaardelijke, nog niet voor tenuitvoerlegging vatbare titel, aangezien op grond van de vaststellingsovereenkomst de boete verschuldigd wordt onder de (opschortende) voorwaarde dat [B] niet aan de geheimhoudingsbepaling voldoet. Betekening vóór het in vervulling gaan van een dergelijke voorwaarde is mogelijk, maar noodzakelijk is dit niet om, na vervulling van de voorwaarde, tot executie te kunnen overgaan. Anderzijds is de overeengekomen boete voor wat betreft haar aard en strekking zeer wel te vergelijken met een (door de rechter opgelegde) dwangsom, ten aanzien waarvan in artikel 611a Rv derde lid is bepaald dat deze niet wordt verbeurd dan na betekening van de uitspraak waarbij zij is vastgesteld. Gelet op het ingrijpende karakter van de boetes, die zonder rechterlijke tussenkomst kunnen worden verbeurd, en de onzekerheden verbonden aan de (vaststelling van de) intreding van de gestelde voorwaarde, acht de voorzieningenrechter voorafgaande betekening van het proces-verbaal op zijn plaats. Die betekening heeft tot doel de schuldenaar, in dit geval [B], erop te wijzen dat de schuldeiser, in dit geval de Stichting c.s., nakoming van de afspraken verlangt en bewerkstelligt tevens dat er in een eventueel executiegeschil geen discussie kan bestaan over de vraag of de schuldenaar rekening moest houden met het verbeurd raken van de boetes.
2.6.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het proces-verbaal niet zonder meer een executoriale titel oplevert voor de invordering van boetes die betrekking hebben op gestelde overtredingen voorafgaand aan de (eerste) betekening van dat proces-verbaal. Dit laat onverlet dat de Stichting c.s. voor de boetes die voorafgaand aan de betekening opeisbaar zijn geworden, een afzonderlijke executoriale titel kunnen verkrijgen.
2.7.
Het voorgaande leidt tot de hierna te vermelden beslissing. De Stichting c.s. zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding, aan de zijde van [B] begroot op nihil.

3.De beslissing

De voorzieningenrechter:
- bepaalt dat de Stichting c.s. niet bevel tot betaling kunnen doen van de op grond van het in de proces-verbaal opgenomen vaststellingsovereenkomst opeisbare boetes voor zover de gestelde overtredingen hebben plaatsgevonden voorafgaand aan de (eerste) betekening van dat proces-verbaal;
- veroordeelt de Stichting c.s. in de kosten van dit geding, aan de zijde van [B] tot dusver begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2014.
WJ