ECLI:NL:RBDHA:2014:8346
Rechtbank Den Haag
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Vernietiging definitieve vaststelling kindertoeslag wegens schending termijnen en rechtszekerheidsbeginsel
Eiser heeft tijdig zijn aangifte inkomstenbelasting 2008 ingediend en de definitieve aanslag is in januari 2010 opgelegd. Verweerder stelde het voorschot kindertoeslag 2008 aanvankelijk vast op basis van een geschat inkomen, maar berekende in augustus 2013 de definitieve toekenning op een lager bedrag, waarbij een deel van het voorschot werd teruggevorderd.
Eiser maakte bezwaar tegen deze definitieve vaststelling, stellende dat de vaststelling te laat plaatsvond en in strijd was met het vertrouwensbeginsel. Verweerder stelde dat de termijnen van artikel 19 Awir Pro termijnen van orde zijn en geen fatale termijnen. De rechtbank oordeelde dat de gewijzigde termijn van negen maanden ook voor het jaar 2008 geldt en dat verweerder geen schriftelijke kennisgeving van een redelijke termijn had gegeven zoals vereist.
De rechtbank concludeerde dat de overschrijding van ruim drie jaar en zeven maanden zonder bijzondere omstandigheden in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Daarom kan de definitieve toekenning niet lager zijn dan het bedrag van de laatste voorschotbeschikking. Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de beschikking van 2 augustus 2013 herroepen. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing.
Uitkomst: De definitieve vaststelling van de kindertoeslag 2008 wordt vernietigd wegens overschrijding van de wettelijke termijnen en schending van het rechtszekerheidsbeginsel.