ECLI:NL:RBDHA:2014:8902
Rechtbank Den Haag
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke boete wegens schending inlichtingenplicht WW deels gematigd wegens strijd overgangsrecht met EVRM
Eiseres ontving een WW-uitkering die met terugwerkende kracht werd herzien omdat zij vanaf 3 december 2012 als invalkracht werkte zonder dit te melden aan het UWV. Verweerder legde haar een boete op van €6.485,46, later verlaagd naar €6.102,51. Eiseres betwistte de boete en stelde dat zij de wijzigingsformulieren wel had verzonden en dat het overgangsrecht van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW in strijd is met artikel 7 EVRM Pro.
De rechtbank oordeelde dat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat zij tijdig melding had gedaan en dat zij haar inlichtingenplicht had geschonden. De rechtbank erkende dat de overtreding een voortdurende aard had en dat het nieuwe boeteregime van toepassing was op het deel na 1 januari 2013. Echter, het overgangsrecht dat het nieuwe regime ook toepaste op overtredingen vóór die datum was in strijd met artikel 7 EVRM Pro, omdat het een zwaardere sanctie oplegde dan destijds van toepassing was.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit voor zover het de boete betrof en stelde zelf de boete vast op €1.200,-, rekening houdend met de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en omstandigheden zoals het terugbetalen van het teveel ontvangen bedrag. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de reiskosten van eiseres.
Uitkomst: Boete wegens schending inlichtingenplicht deels gematigd tot €1.200,- wegens strijd overgangsrecht met artikel 7 EVRM.