ECLI:NL:CRVB:2000:AA6466
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. Haverkamp
- F.P. Zwart
- T.L. de Vries
- Rechtspraak.nl
Geen voortgezette overtreding bij niet tijdig melden wijziging inkomen vóór Wet boeten
De zaak betreft een boete van 300 gulden opgelegd door de Sociale Verzekeringsbank wegens het niet tijdig melden van een wijziging in het inkomen van de dochter van gedaagde, wat gevolgen had voor het recht op kinderbijslag. De overtreding begon vóór de inwerkingtreding van de Wet boeten op 1 augustus 1996, maar de melding vond pas na deze datum plaats.
De rechtbank had het besluit tot boeteoplegging vernietigd omdat de Wet boeten niet retroactief toegepast kan worden op feiten die zich voordeden vóór de inwerkingtreding. De Sociale Verzekeringsbank stelde dat sprake was van een voortgezette overtreding, die ook na de inwerkingtreding strafbaar zou zijn.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het feit dat de verplichting tot melding voortvloeit uit een omstandigheid die zich vóór 1 augustus 1996 voordeed, essentieel is voor de delictsomschrijving. Hierdoor kan er geen sprake zijn van een voortgezette overtreding die onder de Wet boeten valt. Tevens wordt gewezen op het waarborgkarakter van het strafrecht en internationale verdragsbepalingen die verbieden straf toe te passen op handelingen die ten tijde van het handelen niet strafbaar waren.
De Raad bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en veroordeelt de Sociale Verzekeringsbank tot restitutie van de boete met wettelijke rente en vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De boete wordt vernietigd omdat de overtreding begon vóór de Wet boeten en niet als voortgezette overtreding kan worden beschouwd.