Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 15 juli 2014 in de zaak tussen
[eiseres], te [plaats], eiseres
Procesverloop
Overwegingen
Rechtbank Den Haag
Eiseres ontving een WW-uitkering en was daarnaast werkzaam als assistent/secretaresse. Verweerder stelde vast dat eiseres niet alle gewerkte meeruren had doorgegeven over de periode 1 juni 2012 tot 10 februari 2013, waardoor zij een te hoge uitkering ontving. Verweerder herzag de uitkering en legde een boete op van 100% van het benadelingsbedrag.
Eiseres betwistte de hoogte van de terugvordering en de boete, stelde dat zij haar uren wel had gemeld en dat het nieuwe Boetebesluit niet van toepassing was vanwege het overgangsrecht. De rechtbank oordeelde dat eiseres onvoldoende bewijs leverde voor haar stellingen en dat de boete terecht was opgelegd. Wel oordeelde de rechtbank dat toepassing van het nieuwe Boetebesluit op het deel van de overtreding vóór 1 januari 2013 in strijd is met artikel 7 EVRM Pro, omdat dit leidt tot een zwaardere sanctie dan destijds gold.
De rechtbank matigde daarom de boete tot €420, waarbij het oude Boetebesluit werd toegepast voor de periode tot eind 2012 en het nieuwe Boetebesluit voor de periode daarna. Tevens veroordeelde de rechtbank verweerder tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het beroep tegen de terugvordering werd ongegrond verklaard, het beroep tegen de boete deels gegrond.
Uitkomst: Beroep tegen terugvordering ongegrond, boete deels gegrond en gematigd tot €420,- wegens strijd overgangsrecht met artikel 7 EVRM.