ECLI:NL:RBDHA:2014:9797
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Voorlopige machtiging tot voortduren verblijf in inrichting voor verstandelijk gehandicapten
De rechtbank Den Haag behandelde op 1 augustus 2014 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een voorlopige machtiging voor het voortduren van het verblijf van betrokkene in een inrichting voor verstandelijk gehandicapten. Betrokkene verblijft reeds vrijwillig in de instelling op basis van een machtiging tot uithuisplaatsing, maar de rechtbank oordeelt dat deze vrijwilligheid niet daadwerkelijk is vanwege het vrijheidsberovende karakter van de maatregelen.
Betrokkene wordt gemiddeld zes keer per maand gefixeerd en/of gesepareerd vanwege haar gedrag dat voortkomt uit een verstandelijke handicap, waaronder autisme, zwakbegaafdheid en Gilles de la Tourette. De rechtbank stelt vast dat er een stoornis van de geestesvermogens is die een gevaar veroorzaakt voor betrokkene zelf en de algemene veiligheid van personen of goederen.
De rechtbank wijst het verweer af dat het gevaar niet voortkomt uit de stoornis maar uit gedragsproblematiek. Uit de medische verklaring en toelichting van de behandelend psycholoog blijkt een causale relatie tussen de stoornis en het gevaarlijk gedrag. Tevens is vastgesteld dat het gevaar niet kan worden afgewend door tussenkomst van personen of instellingen buiten de inrichting.
De rechtbank concludeert dat de voorlopige machtiging tot voortduren van het verblijf gerechtvaardigd is en verleent deze tot uiterlijk 1 februari 2015. De machtiging tot uithuisplaatsing op grond van het Burgerlijk Wetboek kan niet worden gebruikt voor plaatsingen met vrijheidsbenemende maatregelen.
Uitkomst: De rechtbank verleent een voorlopige machtiging voor het voortduren van het verblijf van betrokkene in een inrichting voor verstandelijk gehandicapten tot uiterlijk 1 februari 2015.