Uitspraak
Rechtbank den haag
1.De procedure
2.De feiten
alleopenstaande facturen zouden zijn aangeboden.
Rechtbank Den Haag
Een aannemingsbedrijf vordert betaling van ruim 2 miljoen euro van de Staat voor werkzaamheden verricht tussen 1995 en 2010, waaronder gladheids- en onkruidbestrijding bij kazernes. De Staat betwist de vordering, onder meer vanwege onduidelijkheden over facturen uit 2010 en mogelijke verjaring.
De rechtbank oordeelt dat het bestaan van de vordering onvoldoende aannemelijk is. De vordering varieerde in communicatie van circa 190.000 euro tot ruim 1,4 miljoen euro zonder overtuigende verklaring. De administratie van eiseres lijkt niet op orde en er is onduidelijkheid over de betaalde en onbetaalde facturen. Daarnaast is het verjaringsverweer van de Staat niet zonder nader onderzoek te weerleggen.
De rechtbank wijst de vordering af wegens gebrek aan spoedeisend belang en onvoldoende aannemelijkheid. Eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak benadrukt het belang van duidelijke en consistente administratie en het belang van nader onderzoek bij complexe geldvorderingen.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van het aannemingsbedrijf tegen de Staat af wegens onvoldoende aannemelijkheid.